203 Br. Benignus Marinus Cornelis Henricus Wilhelmus van Nijnatten
Geboren te Breda : 17-08-1900
Ingetreden : 06-05-1920
Eerste professie : 24-01-1922
Eeuwige professie : 25-01-1925
Overleden te Huijbergen : 17-03-1981
Vanaf 15 juni 1960 was Br. Benignus bewoner van ons convent: eerst in de Karrestraat, daarna in de Roland Holststraat. Hij kwam toen van Heylaar, een laatste woning voor het St. Willibrordushuis, dat aan zijn levensavond was.
Br. Benignus was daarvan een vijftal jaren Overste en Directeur geweest, maar het mooie werk kon – tot spijt van de vele broeders die er met toewijding gewerkt hadden – niet meer gered worden. Voor de tweede maal verbonden aan de school van de Leuvenaarstraat kreeg hij nog een zware taak te verwerken, toen duidelijk was geworden dat deze school riet meer te handhaven was.
Tot zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft hij er zijn beste krachten aan gegeven, tot de school op 1 – 8 – 1967 zeer tot spijt van de leerkrachten werd opgeheven. Br. Benignus was nu officieel emeritus – en als zodanig kennen we hem: iemand, die rustig zijn eigen leven leidde, nadat hij een verdienstelijke levensstaat had opgebouwd, die als kenmerken droeg: een rechtuit beleefde religieuze overtuiging en een toegewijde arbeid aan het heil van de jeugd.
Nu dit laatste kenmerk was weggevallen, bleef er maar één taak meer over zijn religieus leven “rechtuit te beleven”. We hebben hem dit dag-in dag-uit zien doen tot eindelijk zijn krachten het begaven en hij een lang en moeilijk ziekbed te verwerken kreeg.
Waren er in zijn vroeger leven momenten geweest, die tot deze levenswijze geleid hebben?
Hieraan moest ik denken, toen ik wat aantekeningen vond die gediend hadden om zijn gouden kloosterfeest te vieren (24 – 1 -1972). Hierin vielen mij twee verhaaltjes op, die ik even aanhaal.
Als 12-jarige leerling van de Karrestraat, na de biecht als voorbereiding voor zijn grote Communie, beoefende hij reeds het stilzwijgen. Zus Marie – toen 10 jaar oud – begreep daar niets van en vroeg of hij kwaad was, omdat hij niets zei. Bij het knikkerspel kwam de reden er fluisterend uit “Ik moet morgen toch mijn Communie doen.”
Het tweede verhaal dateert van 25 – 7 – 1925. Hij moest toen in Concordia zijn hoofdakte-examen doen. Hiervoor heeft hij zijn kloosterkleed verzaakt! Hij moest nl. in burgerpak naar het examen. Zijn zus Marie heeft toen een kostuum voor hem versierd, met das en al. Waarschijnlijk heeft deze affaire hem een definitieve keer van het colbert bezorgd. Hij zweert verder bij de toog. “Ik ben broeder en blijf broeder” en daarmee uit.
Het zijn maar “jeugdverhalen” en we hechten er niet. Veel inspirerende waarde aan, maar toch ze hebben een spoor getrokken, dat verder door heel zijn leven leidt.
Het eerste verhaal wijst op zijn grote eerbied voor de Eucharistie, die hij tot aan zijn dood heeft meegedragen en in praktijk gebracht. Voor velen zelfs tot het absurde ! Communiceren op de hand. was er niet bij. Ondanks lastig beenletsel wilde hij niet dat de Pater met de Communie naar zijn-bank kwam, maar strompelde hij zelf naar voren. De Latijnse Mis was hem vóór alles dierbaar, en met een avondmis had hij de grootste moeite.
Vóór dag en dauw – in weer en wind ging hij naar de Paterskerk om daar de Mis bij te wonen op een “christelijke” tijd – en onder de avondmis van het convent ging hij de post verzorgen..
Voor velen van zijn medebroeders was dit moeilijk te volgen, maar het tekent wel zijn mentaliteit. Zijn toog is hij trouw gebleven tot aan zijn laatste levensdagen en broeder is hij gebleven tot zijn laatste ademtocht.
Alle veranderingen waren voor hem een aanval op het broeder-zijn en broeder blijven, een leven wat hij in al zijn voorschriften, gebruiken en gewoonten volgens de letter bleef beleven tot aan zijn dood. Als we dit zo overwegen, moeten we toch wei tot de bevinding komen, dat hij een zwaar leven heeft gehad, waarbij hij zichzelf niet spaarde – en het werd nog verzwaard door het feit, dat broeders waarvoor hij verantwoordelijkheid droeg, niet altijd apprecieerden, dat hij ook aan hen eisen stelde. Dit heeft tot gevolg gehad, dat hij voor velen niet bijzonder sympathiek overkwam en daarvan moet hij toch wel veel verdriet gehad hebben.
In Oosterhout werd zijn belangstelling voor koorzang en voetbalsport gewekt. Ik geloof niet, dat hij, wat betreft de koorzang, verder kwam dan dienstwerk voor de eredienst, Ik kan me niet voorstellen dat hij van een muziekstuk heeft genoten al zou het overigens nog zo klassiek geweest zijn.
Zijn voetbalenthousiasme werd bevredigd door het volgen van een T.V.-uitzending, het enige wat hij na het journaal van dit medium volgde. Gereisd heeft hij nooit. Wel was hij vergroeid met zijn fiets: dagelijks werkte hij zijn straatjes af in levensgevaarlijk traag tempo, nageoogd door voetgangers, die hun typerende opmerkingen over deze verouderde verschijning niet altijd voor zich hielden. Nu vragen sommigen waar die echte broeder toch gebleven is.
Een enkele keer heb ik geprobeerd hem van de betekenis der religieuze vernieuwingen te overtuigen. Hij hoorde me willig aan tot hij de bedoeling van het gesprek in de gaten kreeg. Toen werd hij wat zenuwachtig en sloot het onderhoud af met de opmerking “Ze moeten niet geloven, dat de Paus het met al die veranderingen eens is.” Niet met al die veranderingen eens vertaalde hij als: “met al die veranderingen niet eens”. Zo was zijn opvatting en verder viel er niet over te praten.
Zijn 80-jarig aards bestaan is nu geeindigd het was een rechtlijnige, consequente beleving van het religieuze leven in zijn oude vorm, de vorm waarin hij het had aanvaard en waaraan niets viel te veranderen, wat de consequenties van deze opvatting ook waren. Stipt voor zichzelf en beleven van de letter. Wij konden hem niet altijd begrijpen.
Het kost echter weinig moeite om de overtuiging toegedaan te zijn, dat hij zeker wist dat hij leefde op een manier die de oude regel bedoelde met de uitdrukking op de professiedag
ALS GE DEZE REGEL ONDERHOUDT, BELOOF IK U VAN GODSWEGE HET EEUWIG LEVEN. Waarschijnlijk was die overtuiging voor hem reeds hier een voortdurende troost.
Br. Marcellus,