IM217 Br. Josephus Adrianus Cornelis Delhij

217 Br. Josephus Adrianus Cornelis Delhij

Geboren te Stuivezand : 19-03-1924
Ingetreden : 17-01-1943
Eerste professie : 14-08-1944
Eeuwige Professie : 15-05-1947
Overleden te Pontianak : 10-01-1983

Laat ik maar beginnen met een aantal korte feiten mee te delen, ook aan de broeders in Indonesië, zoals ik dat in algemene brieven gewoon ben. Maandagochtend, 10 januari om 7,15 uur, bracht Br. Wiro een telegram in de kapel. Inhoud: Josephus bediend toestand kritiek longontsteking Domitius.
In de loop van de dag probeerde ik op te bellen naar Pati zonder resultaat. Domitius belde om 10 uur op om wat te verduidelijken: Josephus was in Pontianak voor een oversten-vergadering. Hij was moe en kortademig. Omdat Domitius in het ziekenhuis moest zijn, nam hij Josephus mee. De doktoren schrokken van zijn lichamelijke conditie. Te zwaar, kort van adem, vocht in benen en achter de longen. Later is dat een longontsteking geworden en daarbij de complicatie van weigering van de ingewanden. Hoe het ook zij, 11 januari, dus een dag later dan het telegram kwam het fatale telefoontje Josephus overleden op 10 januari, een paar uur slechts na dat telegram.

Zo iets dringt maar amper tot je door in zijn volle betekenis, zo snel volgen alle gegevens, elkaar op, en zoveel onduidelijkheid is er aanvankelijk over plaats (Pati, Semarang, Pontianak, Singkawang???) en tijd van het gebeurde. Het is ook zo ver weg, en contact is vaak moeilijk.
En dan ga je met een familie praten, een hechte groep, die er ook niets van begrijpen, en die erg bedroefd zijn over dit plotselinge heengaan van hun geliefde Kees. In zijn laatste brief aan zijn zus in Made had hij nog geschreven: “Nu is het 1983, maar over een goed jaar kom ik jullie weer bezoeken”. Hij hield van zijn familie, en van groot tot klein, en jong en oud kenden ze hem als een goede, hartelijke broer, oom, zwager, neef. Op het bidprentje heb ik geschreven, dat wij allen er nog niet aan toe zijn om op zo een eerste dag te zeggen: “De Heer heeft gegeven en genomen, Zijn Naam zij geprezen.” Het verlies van een medebroeder die zo ver weg woont en werkt, en bovendien nog in de vijftig is, zullen we slechts geleidelijk aan kunnen accepteren. Dit plotselinge heengaan zullen we moeten trachten te verwerken. Ook het probleem van de vervanging zal niet simpel op te lossen zijn, want de krachten worden zeldzaam en het groepje werkers steeds kleiner. Maar dat is een zorg voor later.
Eerst willen we Josephus herdenken en ook hier in Nederland zullen we met gepaste eerbied afscheid van hem nemen in een Eucharistie op Ste, Marie op zaterdag 15 januari om 11 uur.

Kees Delhij deed op 17 januari 1943 zijn intrede in de Congregatie, zodat we hem bijna 40 jaar als medebroeder hebben meegemaakt. Hij voelde zich thuis bij de broeders, en kon het beste werken met een bekende, vertrouwde figuur naast zich, waar hij op kon steunen. Na een jaar of vijf als portier en kok te hebben gewerkt, is hij als groepsleider bij internen en juvenisten mee gaan helpen aan het werk van de opvoeding in de ruimste zin van het woord. Op 1 oktober 1968 ging zijn hartewens in vervulling: gaan werken in Indonesië. Zijn familie nam afscheid van hem, maar ze bleven hem met zijn allen volgen en hij was in zijn gedachten bij hen. Ook hier kwam hij na huiselijke arbeid als leider op verschillende internaten terecht; in Nyarumkop, Singkawang en Sanggau.

De laatste jaren was Pati zijn werkterrein en speciaal de laatste maanden was hij er overste van het huis, waar onder andere kandidaten voor het broeder-zijn worden opgeleid. Samen met zijn grote steun en toeverlaat Leo Jansen nam hij deel aan allerlei activiteiten van Wisma, drumband, bibliotheek, melaatsenzorg en vooral de cursus voor de opleiding van jeugdleiders, Toch was zijn eerste werk: religieus zijn.

Wij verliezen in onze medebroeder een goede en trouwe kloosterling, een harde, ijverige werker, een vriend, die erg gevoelig was voor een bemoedigend woord, een eerlijk gesprek, een brief met nieuws over de dagelijkse beslommeringen.
Hij noemde zichzelf in die brieven: de Kees, en sprak zonder ophef te maken over het wel en wee van het dagelijkse leven. Nu zullen we hem moeten missen, want de Heer van alle leven heeft zijn hand op hem gelegd. Het zal nog wel even duren, voor wij aan het van harte aanvaarden toe zijn. Voor hem zijn alle aardse problemen opgelost, dat weten we zeker,
Hij moge de rust en het geluk vinden voor altijd bij Hem die hij bij ons en zo ver van huis zo trouw gediend heeft.

Broeders in Indonesië vooral, Regionale Overste en zijn Raad, broeders op Kalimantan waar hij stierf en op Java waar hij werkte, broeders in Pati speciaal, van harte gecondoleerd met dit verlies vooral voor jullie. Ga door in het vertrouwen, dat jullie een voorspreker hebben in de hemel.
Br, Karel