220 Br. Caecilianus Pieter Raats
Geboren te Abeele-Souburg : 21-09-1906
Ingetreden : 06-09-1924
Eerste professie : 16-08-1926
Eeuwige professie : 17-08-1929
Overleden te Huijbergen : 11-05-1983
“De morgenstond heeft goud in de mond”. Soms begin ik aan de juistheid van deze mooie spreuk te twijfelen. Vooral overkomt me dat, als er zich s morgens bij het ontwaken al allerlei problemen aan de geest opdringen; zaken die hoognodig gebeuren moeten en niet zo eenvoudig zijn op te lossen.
Vandaag, woensdag 11 mei, kom ik langzaam tot bewustzijn met het aangename gevoel, dat er weliswaar een begrafenis is (met de gedachte dat we broeder Emmanuel ten grave zullen dragen zijn we intussen verzoend), maar voor de rest is alles keurig geregeld. Op dat moment, staande voor de lavabo, wordt er op mijn slaapkamerdeur geklopt. Ik schrik en vergeet te reageren, want ik vermoed dat er iets niet in orde is. Als ik mijn hoofd uiteindelijk toch om de deur steek, vertelt de ziekenbroeder me dat een goed uur geleden broeder Caecilianus plotseling is overleden. Zo heeft de ochtendstond vaak niets dan bitterheid.
Broeder Caecilianus. Gisteren zat hij nog in ons groepje mee te praten, nu is hij dood.
Hoe was de toedracht eigenlijk? Hij was zijn kamer uit gekomen, viel in de gang op de grond en op dezelfde plek is hij kort daarna volledig weggezakt “en. de dood ingegaan. Een buurman had het gestommel gehoord en vond hem naar adem snakkend. Deskundigen konden niets anders constateren, dan dat er iets fout moest zijn gegaan met hart of hersenen. De laatste genademiddelen van de Kerk werden nog toegediend en voor Pieter Raats was alles voorbij, althans in dit ondermaanse.
En zo sta je dan weer oog in oog met het mysterie dood. Natuurlijk, hij was 76 jaar en had ouderdomskwalen, die zich met kortere tussenpozen telkens openbaarden en een ingreep
nodig maakten. Maar hij was steeds in de rij en deed zijn werk voor zover dat gevoeglijk kon.
In juni moest hij terugkomen in het ziekenhuis voor een nieuwe behandeling, en hij twijfelde, of hij zich niet eerder bij de dokters melden moest. Had hij maar juist achteraf weten we precies, wat had moeten gebeuren. Hoe het ook zij, weer hebben we een medebroeder moeten afstaan, een van de laatste die in toog door het kloosterleven ging. En dit alleen al tekent hem als een man die behoudend was en die principieel vasthield aan het eens beloofde of geaccepteerde levenspatroon.
Hij kwam uit een klein dorp in Zeeland, Abeele-Souburg, op het eiland Walcheren. Daar werd hij geboren op 21 september 1906. In 1924 deed hij zijn intrede in de Congregatie en in 1926 en 1929 deed hij zijn professie. Bijna 6o jaar heeft hij zich verdienstelijk gemaakt in verschillende huizen en op vele terreinen. Hij was woonachtig in Huijbergen, Bergen op Zoom, Oosterhout, Ossendrecht en Leur, en in sommige van die plaatsen keerde hij een tweede maal terug. Zijn staat van dienst vermeldt huiselijke werkzaamheden, timmerman, groepsleider en administratie. Vooral de taak van groepsleider in het opvoedingshuis van de Nieuwe Dieststraat te Breda heeft veel voor hem betekend. Het was een mooi, maar zwaar werk. Die periode keerde dan ook aanhoudend terug in zijn verhalen. De laatste jaren, toch alweer ruim tien na de opheffing van het Kweekschoolconvent, was Huijbergen zijn verblijfplaats. Hier hield hij zich bezig met zijn geliefde timmervak. Zelfs op deze hoge leeftijd leidde hij hier nog jeugdige drumbandleden op, om hen de kunst van het trommelen een trompetblazen bij te brengen. Nog lang trok hij mee naar de concoursen, waar hij dan langgetoogd afstak tegen de frisse, kortgerokte majorettes, een enigszins komisch gezicht. De mensen aan de kant lachten daar wel eens om, maar hij schaamde zich daar niet voor. Hij had de leiding, zoals hij was. Het hoorde best bij elkaar, de jonge, vrolijke muzikanten in luchtige kledij en hij, de troubadour, de livreiknecht van Christus, in zijn officiële uitrusting. Zo hoorde dat; hij kwam er voor uit, en met zijn korte, wat mechanische pas sloot hij aan bij de compagnie.
Pieter was een Belgen-expert. Op zijn kamer komen we nu allerlei landkaarten tegen, vooral van dat land. Hij kende het dan ook als zijn broekzak. Was er een H. Mis tot de televisie uit een nooit gehoord plaatsje, hij wist te vertellen waar het lag en hoe je er het best naar toe kon. Meteen kreeg je dan ook te horen, welke abdijen er in de buurt lagen en welke Maria er vereerd werd. Was zijn voorliefde voor België in hem gegroeid domweg vanwege de aantrekkelijkheid van het land en volk, of had zijn Maria devotie er meer mee te maken? Vermoedelijk is het laatste de verklaring van zijn voorliefde voor het Belgenland. Zoals hij vasthield aan oude gebruiken, zo bleef hij ook Maria vereren, in de stijl van tientallen jaren geleden. Hij bad de rozenkrans, ging graag ter bedevaart, en hielp mee allerlei soorten Mariabeeldjes te verzamelen.
In zijn gesprekken kwam sterk zijn kennis van personen, plaatsen en tijden tot uiting. De tafelgesprekken waren voortdurend een terugroepen uit de vergetelheid van wie toen en toen leefde, waar woonde en werkte, en bij voorkeur van heel lang geleden. “Ik weet het niet zeker, maar het was wel vóór vierentwintig.” “En ik denk in het huis daarnaast.” Plaatsen en tijden.
Met Hemelvaart denken we aan de hemel, de plaats van geluk voor altijd, waar hij heel zijn leven op gericht had.
We kunnen ons mediterend afvragen, of die hemel een ervaring zal zijn van plaats en tijd. Of is het een ontmoeting met Iemand, een persoon, het wezen van de eeuwige God?
Hier moeten we onze markante medebroeder missen. Moge hij, ook voor ons, het geheim hebben ontdekt door de voorspraak van Maria, het geheim van het eeuwig gelukkig zijn en vrede genieten voor het aangezicht van God.
Br. Karel