IM264 Br. Gaudentius Jacobus Antonius de Bruijn

264 Br. Gaudentius Jacobus Antonius de Bruijn

Geboren te Oosterhout : 12-06-1910
Ingetreden : 16-01-1929
Eerste professie : 18-08-1930
Eeuwige professie : 20-08-1933
Overleden te Huijbergen : 05-01-1991

Broeder Gaudentius was op zaterdag 5 januari 1991 s avonds niet aan tafel en omdat hij al een paar dagen zichtbaar veel pijn had, zodat hij zelfs zijn borrel de avond tevoren niet had opgedronken, ging onze broederziekenverzorger op zoek naar Koosje, zoals hij op Sint Marie genoemd werd. Na wat op en neer lopen werd de gezochte dood in zijn eigen natte hoek gevonden. De laatste jaren heeft de man heel wat afgezien en de dood zal als een verlossing ervaren zijn; hij was er op voorbereid. Een van de laatste opgevangen zinnen was “Ik ga Melchior achterna!” Pastor Leo kon hem enkel nog de ziekenzalving toedienen.

Jacobus Antonius de Bruijn kwam op 12 juni 1910 in Oosterhout ter wereld en werd de volgende dag in de Sint Corneliuskerk te Den Hout gedoopt. Op 16 januari 1929 trad hij in in de Congregatie en hij werd op 17 augustus van dat jaar gekleed. Zijn eerste professie werd voor drie jaar afgelegd op 18 augustus 1930 en drie jaar en twee dagen later volgde zijn eeuwige professie. Na zijn eerste professie begon hij zijn loopbaan als onderwijzer in de Boxhornstraat in Bergen op Zoom en daarna werd hij leerkracht aan de Corneliusschool in Amsterdam, waar hij drie jaar werkzaam was voordat hij benoemd werd tot missionaris in Banjarmasin op Zuid-Borneo.

Wie Br. Gaudentius alleen gekend heeft in zijn laatste jaren in Huijbergen zou zich mogelijk afvragen of dit dezelfde man was die in zijn jonge jaren zwaar pionierswerk heeft gedaan en tot viermaal toe in de voorste linies voor zijn Congregatie heeft gezwoegd en geploeterd. In 1935 was hij één van de vijf van onze broeders die onze eerste stichting in Banjarmasin hebben geopend. Vier jaar later begon hij samen met o.a. Br. Claudius Sommen geheel van voren af aan in Blitar op Oost-Java en het jaar erop met Br. Julianus en Br, Longinus in Koedoes op Midden-Java. De stichtingen in Blitar en Koedoes waren nog jong toen de oorlog ook in het toenmalige Indië uitbrak en onze broeders in de gevangenkampen van de Jappen werden ondergebracht. Koosje, die geen man van veel woorden was, heeft ook van die tijd in het kamp van Bandoeng weinig verteld, al weten we van hem dat Br. Longinus prachtig werk gedaan heeft daar en dat Koos een korte tijd dwangarbeid aan een spoorweg op Java heeft moeten doen.
Na de oorlog hoorde hij onmiddellijk na het kamp tot de sterken en kon hij met o.a. de Brs. Julianus en Adrianus naar Banjarmasin om te trachten opnieuw in de naoorlogse toestand aan de gang te gaan. Het was zo een zware opgave dat Br. Maternus het niet harden kon en naar Holland moest afreizen. Eind 1948 kon hij naar Nederland voor een verdiend recuperatieverlof. Onze huizen op Java waren nog steeds onbemand; Blitar en omgeving was onveilig en onrustig. Het aantal inzetbare missionarissen kwam rond 1950 op de normale sterkte en de toestand op Java werd na de soevereiniteitsoverdracht weer stabiel en na wat besprekingen werd in de plaats van Koedoes gekozen voor Pati en voor de vierde maal moest Gaudentius een nieuw project beginnen, nu samen met Br. Angelus. Zij kregen onderdak op de pastorie en waren op zichzelf aangewezen. Dit soort van werken, deze jarenlang durende manier van leven hebben mede een stempel op Gaudentius gedrukt, waardoor hij waarschijnlijk de man geworden is die een ietwat wereldvreemde indruk kon achterlaten, een man van weinig woorden, met weinig behoefte aan het gewone gemeenschapsleven en de openheid van de Broeders van Huijbergen. Hij was echter zeer werkzaam, kon gemakkelijk en vlot studeren.

Toen hij voor het eerst naar de missie ging was hij bevoegd hoofdonderwijzer en had hij een akte Engels L.O. op zak. In het oude Indië haalde hij Duits L.O. en tijdens zijn lang uitgevallen recuperatieverlof pikte hij nog even een akte bahasa Indonesia (Maleis) mee. Hij had een eigen dagprogramma, waar hij moeilijk van af week en dát bij zijn grote zwijgzaamheid genomen maakte hem enigszins zonderling. In de periode dat hij huisoverste was kon dat voor zijn broeders wel eens moeilijk zijn. Punten uit zijn routinedagprogramma waren o.m. schooldoen, lesgeven, werk nakijken en s avonds laat naar bed gaan. Als het even kon moest er ook sport beoefend worden en een kaartje gelegd. Bij het badminton en pingpongspel en het bridgen speelde hij fel en hij was erg uit op winst.

Gaudentius was een diep gelovig mens, die het persoonlijk gebed uitstekend verzorgde en hij gaf niet gemakkelijk verworvenheden prijs. Door zijn deemoed en volgzaamheid was hij voor de overheid van de ene kant gemakkelijk, van de andere kant was het soms wat moeilijker te weten wat de man zelf van het een en ander dacht. De enkele malen dat hij wel in zijn hart liet kijken waren toen we Blitar definitief moesten laten vallen. Daar had hij het moeilijk mee en hij liet zich ontvallen. “Daar hadden we wel roepingen kunnen kweken”. En later toen zijn grote vriend Mgr. W. Demarteau met plannen liep om Gaudentius tot priester te wijden om het dringende priestertekort te bestrijden, hij alleen losliet “Als ik maar geen biecht moet horen” en toen de priesterwijding niet doorging omdat hij niet zo jong meer was, het alleen maar goed vond zo.

Bij de opheffing van Banjarmasin had hij gevraagd om als oude boom niet meer verplaatst te worden. Toch kwam hij zich beschikbaar stellen om de door de dood van Br. Josephus opengevallen plaats weer op te vullen. Zo kwam hij in 1983 opnieuw voor een maand of drie in Pati, alvorens eind november van dat jaar wegens zijn gezondheid voorgoed naar Nederland te gaan. De laatste jaren, na een gordelroosaandoening, is hij voortdurend geplaagd door pijn in de rugstreek, maar een hartstilstand maakte uiteindelijk een eind aan zijn vrij eenzaam bestaan.
Hij is nu bij zijn Heer die hart en nieren doorgrondt. Gaudens rust nu maar uit in alle vrede en zonder pijn.

Br. Domitius de Moor