IM295 Broeder Borromeus Gerardus Johannes van Dal

295 Broeder Borromeus Gerardus Johannes van Dal

Geboren te Tilburg : 31-05-1903
Ingetreden : 06-05-1922
Eerste Professie : 29-11-1923
Eeuwige Professie : 30-11-1926
Overleden te Huijbergen : 03-02-1998

Het nieuwe jaar 1998 bracht onze oudste broeder nogal wat zorgen om zijn gezondheid. Hij had last van pijn en beklemming op zijn borst, en zei meer dan eens dat hij dacht te gaan sterven, de manier waarop hij dat zei, waarop hij naar en van zijn kamer liep, de bleke kleur in zijn gezicht wezen erop dat zijn hart na die hele lange tijd van trouwe dienst heel erg vermoeid en verzwakt was geraakt. Maandag 2 februari had hij het moeilijk en toen de zuster die de nachtdienst had, hem welterusten ging zeggen, was ze zo ongerust dat ze tot half twaalf bij hem was gebleven en zelf pas naar bed ging omdat Borromeus daarop aandrong. Om half twee ging de zuster weer even kijken en vond hem dood op zijn bed. Zo te zien is Br. Borromeus zachtjes en rustig gestorven.
Gerardus Johannes Albertus van Dal kwam op 31 mei 1903 in Tilburg op de wereld en wat ouder geworden wilde hij in de voetsporen van zijn oudere broers, Br. Rufinus en Winfriedus treden en op 6 mei 1922 werd hij lid van de Congregatie van de broeders van Huijbergen, deed zijn eerste professie op 29 november 1923 en verbond zich voor het leven aan de Congregatie op 30 november 1926. Als broederonderwijzer stond hij voor de klas in Oosterhout tot hij benoemd werd tot hoofd van de school op de Boxhornstraat te Bergen op Zoom in de dertiger jaren. In de jaren van de oorlog was hij hoofd van de Aloysiusschool te Breda tot hij in 1946 benoemd werd voor de missie in Indonesia.

Het vertrek naar Indië kon niet zo snel gebeuren omdat de scheepsruimte zo kort na de oorlog nog niet op peil gebracht was. Zijn oud-leerlingen uit die tijd zullen de herinnering aan de sportlievende vrolijke jonge broeder Borromeus die zo smakelijk vertellen kon, nog wel voor de geest kunnen halen. Zijn bootreis naar Batavia, nu bekend als Jakarta, werd vervolgd door een vliegreis per vliegboot, een Catalina, naar Pontianak, waar hij op 29 september 1946 op de rivier Kapuas veilig landde. Hij kon snel aan het werk als onderwijzer aan de lagere school van de broeders in Pontianak. Twee jaar later werd hij benoemd tot Broeder Overste en hoofd van de lagere school in Singkawang waar de voertaal nog het Nederlands was. In december 1949 werd de soevereiniteit over het land overgedragen aan de Republiek Indonesia, en werd het Indonesisch voertaal op alle scholen en de meeste broeders, waaronder ook Br Borromeus namen de Indonesische nationaliteit aan om het recht om onderwijs te plegen te behouden. Het echt onder de knie krijgen van de nieuwe voertaal op school was een zware kluif, en Borromeus was toen al 46 jaar en voor een levenslustige figuur zonder uitgesproken zitvlees voor studie is een perfecte beheersing van de nieuwe landstaal een onbereikbaar ideaal gebleven, maar hij was niet voor een kleintje vervaard en slaagde er best in de jeugd datgene bij te brengen wat het belangrijkste was en met een lach en een grap bleef het lesgeven naast de buitenschoolse activiteiten een voor hem prettige bezigheid. In november 1952 ging hij lesgeven in Nyarumkop waar onze broeders kort tevoren een belangrijke rol in het onderwijs en internaatswerk waren gaan vervullen. Een eigen broederhuis moest nog gebouwd gaan worden. Het feit dat het broederhuis door het bisdom werd gebouwd bewijst hoe dringend het verlangen om broeders in deze nieuwe statie te hebben, wel was. Aanvankelijk woonden er maar twee broeders tijdelijk op de pastorie, terwijl de anderen waaronder Borromeus, dagelijks van Singkawang naar Nyarumkop en omgekeerd moesten pendelen. Dat gebeurde per jeep over een slechte weg, over een afstand van 12 km. In 1954 konden de broeders hun intrek nemen in het nieuwe huis dat ze mochten gebruiken en bewonen zolang de broeders in Nyarumkop zouden blijven werken. In 1956 ging Br Borromeus voor de eerste keer op verlof en werd na terugkeer in Nyarumkop belast met de functie (tijdelijk) van directeur van de SPG (kweekschool). Het jaar daarop werd hij benoemd tot huisoverste van Singkawang en mocht er een SMP (MULO) oprichten voor jongens en meisjes. Spoedig daarna namen de zusters de meisjes over in hun net opgerichte SMP, want in die jaren zaten er op de broederscholen alleen maar jongens. In 1963 kreeg Br Borromeus weer buitenlands verlof in Nederland en kwam na dat verlof opnieuw in Pontianak te staan om les te gaan geven op de SMP Bruder. Zijn inzet voor de voetballerij bleek toen zijn jeugdclub kampioen van Kalimantan Barat werd. Voor verdere selectiewedstrijden mocht zijn club naar Palembang. Samen met de Brs. Ansfridus en Sarto hebben ze als ware levensgenieters de jongens aangemoedigd maar de club uit de provincie Kalbar werd niet verder geselecteerd en kon weer een ervaring rijker naar huis. Zijn jongens vertelden later nog dat Borromeus een productieve midvoor was met een loeiend hard schot en hoe fijn het was met hem op te trekken.

In 1971 kwam een einde aan de 25 jaren missie-arbeid voor 68 jaar geworden Borromeus, en ging hij genieten van een welverdiend pensioen op Sint Marie te Huijbergen en vervolgde hij haast professioneel zijn schilderarbeid dat hij de laatste tijd in Pontianak als ambteloos burger begonnen was. Hij kon soms wat relativerend spreken over zijn schilderijen, maar kon evenmin laten trots te vertellen dat hij weer een paar producten had kunnen verkopen, en eerlijk gezegd waren er best werken bij die een goede plaats tegen de muur van een kamer verdienden. Bij vrienden en bekenden van Borromeus kun je dan ook nu nog wel eens een schilderij van hem treffen.

Op zijn manier hield hij van de natuur en de vogelwereld, maar kon toch ook niet aan de verleiding weerstaan actief mee te doen aan een vinkenslag, waar hij voor naar een boer in België trok om daar uren door te brengen. Met andere vrienden ging hij ook graag naar een voetbalwedstrijd kijken. RBC in mindere mate, maar vooral Feyenoord waren zijn favoriete clubs en die vooringenomen liefde voor die clubs konden zijn oordeel wel eens vertroebelen. Zijn vele talenten kwamen ook aan bod toen ons LEER EN LEVEN nog regelmatig verscheen. Zijn onderhoudende verhalen uit zijn goed gebleven geheugen in dat tijdschrift werden graag door de broeders gelezen en geprezen. Die verhalen gingen niet alleen over gebeurtenissen en toestanden in de wereld van klooster en daarbuiten, maar ook ervaringen en belevenissen opgedaan tijdens korte of langere reizen kon hij smakelijk ophalen en tijdens die reizen, soms lekker weggezakt kon hij lekker genieten van vruchten en fruit. In zijn tijd als missionaris had hij ook leren smullen van de bij sommigen beruchte doerian-vrucht met zijn doordringende rioollucht.

Zijn sterk verminderd gezichtsvermogen maakte een eind aan zijn vreugde om te schilderen, maar tot voor kort liep hij gewapend met zijn vergrootglas rond om in de kapel de gebedsoefeningen zo goed mogelijk te kunnen volgen, maar ook om de krant bij te houden, daarbij zijn gevoelens, van grote blijdschap tot grote ergernis, spuiend voor wie maar horen wilde. Niet alle vernieuwingen in kerk en maatschappij konden zijn instemming wegdragen en het paarse kabinet kon bij hem geen goed doen en die zaken die hem niet zinden, werden door hem, die van zijn hart geen moordkuil maakte, soms fel bekritiseerd, maar wat we ook van hem kunnen zeggen, niet vergeten mag worden dat Borromeus een diep gelovig mens is gebleven. Trouw aan vriendschappen, trouw in het gebed, trouw aan tradities waar dat kon, bleef hij de kapel bezoeken voor de gebedsoefeningen en als hij tot aan zijn plaats gekomen was, maakte hij knielend tot op de grond duidelijk dat deze oude man, niet afhankelijk wilde zijn als dat maar enigszins kon van anderen, en rechtop en menswaardig door het leven wilde gaan tot als het kon zijn laatste snik.

Al was het minder dan in je jonge jaren, Borre jij kon JA tegen het leven zeggen, zo kon je ook JA tegen de dood zeggen al was dat met meer moeite, omdat je er klaar voor was. En zo moet het zijn. Bedankt voor je voorbeeld, bid jij voor ons, wij doen het ook voor jou, al zal de goede God, jouw Goede Herder, die zich nooit in edelmoedigheid laat overtreffen, je al wel voor eeuwig hebben toegelaten tot de gelukzalige rust bij Hem.