IM004 BROEDER BONAVENTURA (H. CLAEREN)

004 BROEDER BONAVENTURA (H. CLAEREN)

Geboren te Afferden(Limb.): 14 – 02 – 1834
Ingetreden in de Congregatie: 10 – 12 – 1854
H. Professie: 13 – 09 – 1857
Overleden op: 02 – 01 – 1870
Begraven op het kerkhof van de parochie.

Samen met broeder Antonius Broumels en broeder Franciscus Kerremans stond hij aan het begin. Hij was de eerste onderwijzer in de Congregatie, en werd na het behalen van de hoofdakte ook hoofd van de school. Hij had een zwak gestel, maar was een harde werker.
Broeder Bonaventura leed aan tuberculose en is daaraan ook overleden. Zijn heengaan was voor de pas opgerichte Congregatie een zware slag.

Hij was de derde broeder van Huijbergen en de eerste volledig bevoegde onderwijzer. Hij was de jongste van de eerste drie kandidaten. Iets later dan broeder Franciscus en broeder Antonius (Broumels) kwam hij op 20 jarige leeftijd in 1854 naar Huijbergen en werd op 8 juli 1855 gekleed. Zijn eeuwige geloften legde hij te samen met broeder Franciscus af op 13 sept. 1857. Vijftien volle jaren heeft hij als onderwijzer in Huijbergen gewerkt, eerst als onderwijzer aan het weeshuis, na l860, toen hij zijn hoofdakte behaalde, als hoofd der wezenschool en spoedig daarop ook als hoofd der school bij het pensionaat.
De schrijvers van het boek: “geschiedenis van Ste. Marie” putten zich uit om deze broeder Bonaventura uitbundige lof toe te zwaaien voor hetgeen hij voor het weeshuis, Instituut en de Congregatie heeft gepresteerd. Zwak van lichaam maar sterk van geest, gezegend met buitengewone geestesgaven en een onverzettelijke werkkracht, is hij met Dir. Ant. Graumans de man geweest, die door zijn onvermoeide arbeid het Instituut Ste Marie heeft gemaakt tot wat het nu is. Hun geschiedenis is de geschiedenis van het Instituut. De grote moeilijkheden die aan elke nieuwe stichting zijn verbonden, heeft hij door zijn wilskracht en door zijn kunde, door zijn leiderscapaciteiten en zijn pedagogische talenten glansrijk overwonnen en binnen zeer korte tijd het Instituut tot hoge bloei gebracht. Hij heeft voor zijn opvolgers de weg gebaand en geëffend, de hechte fundamenten gelegd, waarop kon worden voortgebouwd.
Hij was een ijverig religieus met een diepe godsdienstzin, die ook zijn leerlingen hiervan wist mee te delen. Voor zijn medebroeders schijnt hij in deze moeilijke beginjaren een krachtige steun te zijn geweest en een inspirerend voorbeeld. Hij wist hen op te beuren in tijden van moedeloosheid, de wankelmoedige en zwaarmoedige wist hij door zijn wilskracht en zijn vrolijke opgeruimdheid te sterken en te bezielen.
Volgens de gegevens van broeder Amandus leed broeder Bonaventura aan tuberculose. Een zware slag trof de Congregatie toen hij op 35 jarige leeftijd op 2 jan. 1870 aan die ziekte overleed. Broeder Bonaventura moge onder ons blijven voortleven als een waarlijk groot man, waaraan de Congregatie veel te danken heeft.

Broeder Bonaventura heette in de wereld Henri Claeren, was geboren in Afferden, waar zijn vader hoofd was van de openbare school. Hij werd zeer godsdienstig opgevoed en reeds vroeg in het stadje Goch op school gedaan. Hij nam dan zijn boterhammen mee en gebruikte ’s avonds in de kring van zijnen familie het middageten. Zijn vader was een vurig patriot tijdens de Belgische revolutie en ook de zoon was buitengewoon Hollands gezind. Tegenover de Duitse jongens hield hij vol, dat geen Duitse generaal of admiraal het van de onzen kon winnen. Hij was klein van gestalte, maar met een grote vurige ziel vervuld. Hij was in de wereld eerst onderwijzer aan het Doofstommen Instituut te Maaseyk, later aan het Instituut Brogtrop te Bergen op Zoom, waar hij van een vriend vernam, dat de Bisschop van Breda te Huijbergen het Instituut Ste. Marie had opgericht. Hij meldde zich aan en werd natuurlijk met veel vreugde opgenomen. Hier stond hij vele jaren als hoofd der school aan weeshuis en pensionaat en deed zich immer kennen als een vurige vereerder der H. Maagd. Als een oprecht en vurig kloosterling was hij steeds in de weer om de leerlingen tot vurige katholieken te vormen. Ook voor zijn medebroeders was hij een voorbeeld; want behalve zijn drukke klassen en andere lessen, waste hij des middags borden en schotels en ging hij met de pensionairen op wandeling, in een woord, hij liet geen tijd verloren gaan.

De belangen van onze Moeder de Katholieke Kerk hingen hem na aan het hart en de heldendaden der zouaven brachten hem in vervoering. Ge moest hem dan in de school daarover horen praten; dan was hij geheel en al vuur en wenste hij vurig ook eens een handje te mogen helpen om die ellendige, rode Garibaldisten het hazenpad te doen kiezen. Reeds jaren vóór zijn dood kon men opmaken dat hij niet lang meer leven zou. Zijn adem en hoesten gaven reeds te kennen, dat de longtering hem aangetast had. Op 2 januari 1870 had hij zijn loopbaan voleind en ging hij den hemel binnen om daar voor zijne dierbare Congregatie te bidden. Het was toen op Ste Marie ellendig gesteld.

De pensionairen waren wegens besmettelijke ziekte naar huis gezonden en broeder Antonius Ferket was pas begraven, terwijl broeder Ignatius en broeder Aloysius door tyfus waren aangetast. Ook Directeur Graumans was daaraan lijdende evenals de kwekeling Holster.”

Bronnen: Geschriften van Br. Pacificus; N.N.