IM080 BROEDER CLAUDIUS (LOUIS J. M. SOMMEN)

080 BROEDER CLAUDIUS (LOUIS J. M. SOMMEN)

Geboren te Breda : 22 -09- 1915
Ingetreden : 14 -08- 1934
Eerste Professie : 15 -08- 1935
Grote Professie : 15 -08- 1938
Overleden te Batavia : 31 -08- 1945

Broeder Claudius werd benoemd voor de missie op Java en vertrok op 22 juni 1939 naar de nieuwe stichting Blitar in Oost Java. Tijdens de bezetting door de Jappen werd hij met de broeders en zovele anderen in een concentratiekamp te Bandung gevangen gezet. Alhoewel hij onderwijzer was maakt hij zich verdienstelijk in de ziekenboeg en wist zijn medegevangenen op te beuren. Over zijn laatste dagen gaf een zuster van Maastricht uitgebreid verslag aan

Met de grote transport van Bandoeng kwam broeder Claudius in Batavia aan en kreeg een plaats naast pastoor de Hoog, vlak voor de preekstoel. Al gauw was hij in de weer om iedereen te helpen en bij te staan en vooral ook voord oude pastoor Cappers heeft hij veel goede diensten bewezen. Zij waren toen met 132 van de geestelijke stand n.l. 5 Pastoors, 2 broeders en 5 zusters. Broeder Bernulfus die ook met het eerste transport was gekomen ging al heel gauw hemelen de eerste zondag na Pinksteren. Pater Cappers 5 Juli en broeder Claudius 31 augustus 1945. Ja, hij zei maar steeds dat er die maand veel grote dingen zouden gebeuren, maar zoiets had men zich niet in kunnen denken, want alhoewel hij net opgeknapt was van t.b.c. had de dokter een paar weken voor zijn laatste ziekte nog gezegd dat hij de gezondste mens was die er in het kamp rondliep. Daar was hij erg blij om, totdat hij op een goede keer Pater Postma stuurde dat hij ziek was of wij nu weer de was van de Paters konden overnemen. (Het was maar het beste dat iedereen zijn eigen was deed anders kreeg men de helft niet terug).

Al spoedig steeg de koorts tot 40 of er over heen gedurende de hele dag. De derde week was het zeer op en neer, wat de zekerheid gaf dat het tyfus was, daarbij kwam de verlamming van het onderste gedeelte van de rug en de benen, ook moest hij steeds gecatheriseerd worden en ook met een klysma geholpen worden wat al spoedig een lichte darmbloeding ten gevolge had. Zo ziek als hij was lag hij toch weer in het midden van de kerk, waar zo´n 120 mannen, velen nog lopende patiënten en waar het er naar toeging als in de jodenkerk van Amsterdam. Waar steeds afgekondigd werd met harde mannenstem wat er te koop was in de toko of te halen van de keuken of dat ze voor het een of ander hulp nodig hadden enz. enz. Wel had zuster Alexia al verschillende malen de dokter gevraagd om een rustiger hoekje voor de broeder. Maar hoe het ook zij daar kon niets van komen en zo lag hij daar met verschrikkelijke pijnen in het hoofd, rug en buik, in dat drukke gewoel en als er dan weer eens met een krijsende stem werd afgekondigd dan perste hij zijn tanden op elkaar en greep naar zijn hoofd en schudde dan “Ik kan het niet meer uithouden, mijn zenuwen worden me de baas” en ook begon hij dan wel eens te huilen. Dan zei zuster Alexia wel eens “Broeder offer het maar op voor de zielen” en dan even eenvoudig als onderworpen bracht hij ook dit offer weer, want als men van die toestanden meegemaakt heeft dan pas kan men oordelen hoe zwaar zoiets kan zijn. Er was geen voldoende hulp, geen goede voeding en dan in zo´n rimboe. Hij was ook steeds bang dat hij de anderen teveel werk gaf omdat hij wist dat ze allen patiënten waren. Maar de professor was toen ook zijn dokter en die had de zusters gevraagd of ze eens wilden proberen met kleine smakelijke beetjes (zover als dat in haar macht was) hem te voeren want dan kon met toewijding dat leven nog gered worden. Maar O. L. Heer heeft er anders over geoordeeld. Hij was al rijp voor de hemel, en Hij heeft hem uit dit huis waar al zoveel ellende was gesticht gehaald. Toch heeft men hem na het vertrek van P. de Hoog naar Tjideng op een rustiger plaats gelegd, maar het was reeds te laat. Het waren de drie laatste dagen dat hij leefde, die waren het ergste, hij was helemaal buiten bewustzijn. Toen het 17 augustus bekend was dat er vrede was spoorde de zuster hem aan om z´n best te doen met eten, dan zou hij misschien nog beter worden, maar als hij dat eten dan moest nemen dan zei hij “Och zuster als u eens wist hoe ziek ik was” maar dan toch het idee dat hij nog zo een jonge kracht was voor de missie en nog zo veel zou kunnen doen voor Gods eer, deden hem weer zijn beste wil tonen om te eten. De laatste drie dagen sprak hij geen goed woord meer, of hij stond in zijn verbeelding voor de klas, of was met toko en geldzaken bezig want de laatste tijd was hij distribuant geweest of ook moest hij naar de kerk, dan voelde hij naar de grote rozenkrans ofwel stak zoekend zijn hand uit naar het wijwatervat of het kruisteken makend. De laatste zondag van zijn leven heeft hij zelf nog aan Pater Postma gevraagd om bediend te mogen worden, wat hij toen nog in volle bewustzijn heeft ontvangen, terwijl hij ´s morgens voor het laatst de H. Communie had ontvangen, toen hadden we nog niet elke dag H. Mis. Dinsdag ochtend werd hij verplaats van het ene bed naar het andere en is hij niet meer bij kennis geweest. Wel heeft hij nog voor die tijd gevraagd om als het mogelijk zou zijn scapulier medaille met ketting naar zijn moeder te sturen. Zijn rozenkrans heeft de zuster met Pater Huigens meegegeven naar Mgr. Willekens. Ook moesten zijn Overste en medebroeders de groeten gedaan worden en zeggen dat hij in alles Gods wil had aanvaard. Allen die hem daar gekend hebben, P. de Hoog, P. Postma, P. Cappers en drie zusters erkennen eenparig hij was een stichtend religieus, altijd alles voor anderen. Op de ochtend van 31 Augustus lag hij al vroeg te sterven en daar hij nergens op reageerde ging de zuster naar haar zaal terug. Om half tien werden ze geroepen, maar hij was juist gestorven toen ze daar kwamen, het was goed 12 uur. Dezelfde dag werd hij nog begraven op de begraafplaats van de krijgsgevangenen. In een soort mandje, een paar bamboes met enige tikartjes. Het had hun allen getroffen, al vrede en dan nog zo´n jonge kracht te verliezen voor de missie, maar God deed het en dan was het goed. Ze hadden elkaar geholpen en bijgestaan, want hadden ze iets nodig dan klopten ze bij de broeder aan en omgekeerd. Ze konden zich niet indenken dat hij er niet meer was, zo uit het volle leven. Op zijn verjaardag gaf hij de zusters een verassing, ze mochten terug naar het Kramatkamp waar alle andere zuster geïnterneerd waren.
Al deze wederwaardigheden mochten we van Zuster Alexia ontvangen. Van Pater Huygens ontvingen we de volgende mededeling. Toen hij kwam was hij reeds uiterst zwak en mocht geen langdurig bezoek hebben. De andere kampgenoten hadden met den broeder erg te doen. Ik merkte wel dat hij in het kamp erg gezien was. De laatste paar dagen lag hij wezenloos te staren en met zijn vingers figuurtjes te tekenen in de lucht. Over de laatste doodsoorzaak verkeerde men in het onzekere. Sommigen gaven op tering en andere hersenverweking. We betreuren dit verlies wel, vooral omdat het zo een braaf broederke was, een van Gods lievelingen ging van ons henen.

Bronnen: Een brief van een zuster CB (onder de Bogen), N.N.