IM083 BROEDER ARCHANGELUS (FRED. G. J. NIEUWENHUIZEN)

083 BROEDER ARCHANGELUS (FRED. G. J. NIEUWENHUIZEN)

Geboren te ’s Gravenhage : 28 -09- 1920
Ingetreden : 14 -08- 1939
Eerste Professie : 15 -08- 1940
Grote Professie : 15 -08- 1944
Overleden te Bergen op Zoom : 20 -01- 1946

Na zijn noviciaat was Br. Archangelus werkzaam in Amsterdam als onderwijzer. Toen april 1942 Br. Justinus werd verplaatst nam Archangelus zijn plaats in te IJpelaar tot het seminarie in maart 1944 in beslag genomen werd door de Duitsers en de voorbereidende klas verhuisde naar Halsteren. Broeder Archangelus verhuisd naar de Blauwehandstraat te Bergen op Zoom en geeft er les.

Op zondagmorgen trokken Br. Laurentius en Br. Archangelus met de jongens naar het ijs om te schaatsen. Een van de jongens zakte door het ijs. Broeder Archangelus probeerde de jongen te redden maar schoot zelf onder het ijs en verdronk. De jongen kon zich drijvende houden door een ijsschots en werd gered. Broeder

God schiep het licht en de duisternis.
En Hij zag dat het goed was.
“Licht” was er in ’t leven van Br. Archangelus z.g. ruimschoots. Het straalde uit zijn wezen, zijn manieren getuigden ervan. Wie, van hen die hem gekend hebben, kan zich niet meer herinneren: zijn brede lach met de sterk markerende lijnen vanaf de neusvleugels, zijn lachend toegeknepen ogen onder zijn borstelig zwarte wenkbrauwen, zijn warm joviale stem. Lachend en vriendelijk was zijn omgang, aangenaam aandoend als de zon van een jonge zomermorgen. Wie is hem ooit tegemoet getreden en kreeg een ruw antwoord? Wie vroeg hem iets, was het ook iets moeilijks, zonder dat hem royaal hulp werd toegezegd?
Het zonnetje in huis; het is toch een gemeenplaats geworden, een loos gezegde, maar toch durf ik het hier neerschrijven, zonder me aan bovengenoemd euvel schuldig te voelen; het zonnetje, nee, de zon. Had hij de opgeruimdheid van zichzelf? Was zijn karakteraanleg zo?
Ik meen van niet. Heeft hij getracht die blijdschap te verwerven? Ja, en met veel moeite! Want wat velen niet weten is, dat hij meermalen tobde met zijn klas: zijn lessen, sommige lastige jongens; dat hij tobde over zijn studie, waarvan hij dacht dat ze niet vlotten wilde: dat hij dikwijls twijfelde aan zichzelf, zijn kunnen onderschatte; dat hij soms ten einde raad was. In intieme gesprekken liet hij daarover nog al eens iets los.

Ingewijden weten, hoe hij ’s avonds voor zijn dood, van de begrafenis van Br. Anastasius terugkwam – “kapot”!, als gebroken – vanwege een misverstand met zijn overheid. Lang en breed hebben we geprobeerd op die avond dat alles uit zijn hoofd te praten. Tevergeefs. Hij zag voor zijn leven geen uitweg meer, noch voor – noch achteruit.
En met die gemoedsgesteltenis – als laatste beproeving van zijn jonge leven- is hij de nacht ingegaan, heeft hij nog een laatste keer de zon zien staan boven die Zondagse wintermorgen. In deze “duisternis” heeft hij de dood ontmoet die zijn knokige hand op zijn jonge hart legde en hem verloste uit zijn moeilijkheden. God schiep het licht en de duisternis en Hij zag dat het goed was. Goed was het leven van Br. Archangelus en degelijk.

Was hij een heilige? ’n Heilige uit de geestelijke lezingboeken, die zich toelegde op de 3e graad van nederigheid en op de 4e trap van gebed? Ik geloof van niet. Maar hij streefde oprecht naar zelfverbetering. Had hij aspiraties tot grote verheven daden? Zijn eenvoud van leven en het kleine gedacht van zichzelf zijn er om het tegendeel aan te tonen. Was zijn heldhaftige daad op dat ijsveld iets geweldigs in zijn eigen ogen? We kunnen gerust zeggen: nee, al weten we ook niet, welke gedachte hem in die laatste minuten beroerden.
Zijn edelmoedig en blij gegeven levensoffer moet gezien worden als een punt achter zijn eenvoudig en opofferend leven. Zijn degelijke liefde kon hem in dat suprême ogenblik niets anders voorschrijven dan de meest royale liefdegift, die leven heet. Hij was goed. Hij was degelijk. In korte tijd leefde hij vele jaren.
H. Aartsengelen, bidt voor ons.

Bronnen: N.N.