117 Broeder Silvester De Maat
Geboren te Hontenisse : 07-03-1880
Ingetreden : 29-06-1896
Eerste Professie : 03-09-1898
Eeuwige Professie : 02-09-1900
Overleden te Huijbergen : 21-06-1962
Vol eerbied en ontzag gedenken wij de dode,
die achtentwintig jaar met sterke,
vaste hand de Congregatie leidde door zove1e noden,
haar naam bekendheid gaf in vrijwe1 heel ons land.
De Kweekschool van Breda, het succursaal te Haaren,
ons huis in Amsterdam verrezen door zijn hand.
De kroon heeft hij gezet op d’arbeid van die jaren
toen hij de grondslag lei voor ‘t werk in ‘t missieland.
Een strenge observant, die regeltucht beminde,
maar altijd mild en goed, bezorgd haast dag en nacht.
Kon hij door zorg gekweld, helaas geen nachtrust
vinden, dan zocht hij in ‘t gebed bij God weer moed en kracht.
Ontheven van ‘t bestuur, ging hij nog jongeren werven
voor ‘t Juvenaat Sint Frans, dat hem zo dierbaar was.
Men zag hem onvermoeid het hele land door zwerven,
vertellen enthousiast in huisgezin en klas.
Totdat in ‘t laatste jaar van dit voorbeeldig leven
zijn God hem overzond een schrikkelijke kwaal;
maar tot zijn laatste snik is hij voor ons gebleven
een toonbeeld van geduld: ons aller ideaal!
Silvester, als een “reus” staat gij ons nu voor ogen,
een man van groot formaat: eenvoudig, sterk en wijs;
geleid uw Broederschaar, dat wij bereiken mogen
de plaats waar gij nu troont: het hemels paradijs!
Sanrebrius ( uit: Leer en Leven)
Op het diamanten jubileum van Br. Silvester is in Leer en Leven een levensbeschrijving geplaatst van Br. Silvester om hem te huldigen voor alles wat hij in die periode voor de Congregatie gedaan heeft.
We laten die hier volgen:
“We kunnen met de allervoornaamste datum beginnen: op 7 maart 1880 werd te Hontenisse Eduard de Maat geboren. Maar dan grijpen we meteen in een luchtledige! Bij een mens van uw leeftijd zijn we nog jonge mensen en wordt het al heel moeilijk om gegevens te vergaren over de jeugd. Was Eduard een brave jongen, een moeders kindje; of had hij het nogal eens aan de stok met Vader de Maat? Uit de observaties van zijn laatste levensjaren binnen het Sint Jansklooster zouden we mogelijk kunnen besluiten, dat plagerijen hem niet vreemd waren. Op 29 augustus 1896 werd Eduard de Maat gekleed en ontving daarbij de naam van Br. Silvester. Het was een zeer gelukkig keuze. Binnen de Congregatie zou de Silvesterdag 28 jaar lang een traditie blijven.
Het was een jaarlijkse reünie, waarop in een feestelijke sfeer zo goed als alle Broeders bijeen waren. Het was een gezellige uitwisseling van gedachten en belevenissen en de band van saamhorigheid werd vernieuwd zonder enige programmatische opzet.
Op 3 september 1898 legde Br. Silvester zijn tijdelijke geloften af, waardoor meteen de datum werd vastgelegd van het huidige diamanten jubilé. Als jong onderwijzer begon hij zijn loopbaan aan het pensionaat en was daarna een jaar werkzaam te Oosterhout.
In 1911 volgde hij Br. Aloysius Hosemans op als Algemene Overste en werd in 1912 als zodanig officieel gekozen. Het ambt van Algemene Overste hield toen nog in, dat men gelijktijdig huisoverste was van Ste Marie, hoofd der school van het pensionaat, algemeen econoom en dat men in de overblijvende tijd ook nog klas deed. Verschillende Broeders zullen hun eerste Franse lessen ontvangen hebben van Br. Silvester in de toenmalige voorbereidende klas van de kweekschool te Huybergen. Eveneens zullen velen zich nog herinneren, dat het op zondagmorgen voor de toenmalige kwekelingen “puntjes” inleveren was op de kamer van de Algemene Overste, waarbij een forse sigaar van 3 cent een dure beloning was voor twaalfjarigen, die zonder puntjes op bezoek kwamen. Op die wijze hield Br. Silvester toen reeds een persoonlijk contact met de aspiranten.
Met eenzelfde vaderlijke liefde omringde hij ook de wezen. Het is in deze niet uitgesloten, dat de tekst uit de brief van St. Jacobus, dat de ware godsdienst bestaat in de zorg voor de weduwen en wezen alle eeuwen door de mensen heeft aangespoord tot dit uitermate christelijk liefdewerk. Door het rijke studiemateriaal, dat de oorlogswezen na de tweede wereldoorlog in Duitsland heeft opgeleverd, heeft men een veel dieper inzicht gekregen wat deze kinderen moeten missen. En dit betreft niet op de allereerste plaats een materieel gemis als wel een gemis aan de innigste liefde, wat juist op het onbewuste van deze kinderen een invloed uitoefent, die het gehele leven door wordt meegedragen. Als de natuurlijke liefde de voorschool vormt van de bovennatuurlijke liefde, wordt het heel begrijpelijk, dat de Kerk van meet af aan heeft getracht om zo zorgvuldig mogelijk deze natuurlijke liefde aan te vullen door een bijzondere zorg voor de wezen.
Vandaar dat de zorg voor de wezen in de echte zin van de Kerk werd beschouwd als een van de hoogste liefdewerken, waarbij de volle nadruk werd gelegd op de liefde. Volgens deze geest dachten dan ook de Bisschoppen van Breda aan het inrichten van een weeshuis te Huybergen en rekende Br. Silvester het tot een van zijn voornaamste taken om deze zwaarbeproefde kinderen met alle zorg te omringen.
Niet minder gingen zijn zorgen uit naar de oude Broeders, ook al kende men in zijn tijd nog niet de bejaardenzorg van thans. Als we denken aan een Br. Bonaventura een Br. Johannes een Br. Dominicus en een Br. Thomas – om slechts enkele figuren te noemen uit die tijd – dan weten oudere Broeders onder ons, dat al deze mensen bij hun degelijkheid van leven er toch een eigen levensstijl op na hielden waar zij in wezen recht op hadden binnen de kloosterregel. We hebben immers de almacht van God niet alleen te bewonderen in de eindeloze variatie van bloemen en kruiden, van vogels en vissen, maar het allermeest in de eindeloze variaties van menselijke karakters. Iedere mens heeft het recht anders te zijn met de daaraan verbonden plicht om toch met zijn anders-zijn God getrouw te dienen. Doch het begrijpen van die levensstijl brengt vaak voor een Overste uitzonderlijke moeilijkheden mee.
Br. Silvester zal het nog weten dat Br. Dominicus in zeker jaar de retraite voor zich overbodig vond, omdat volgens zijn overtuiging de voornemens van een vorig jaar zo uitmuntend waren, dat ze nog best een jaar konden meegaan. En we zouden hier Br. Lucianus aan het woord moeten laten om te vertellen over de levensbijzonderheden van verschillende van die oude Broeders.
Op een echt vaderlijke wijze wist Br. Silvester deze oude mensen met zijn belangstelling te omringen, kon er in de avondrecreatie mee kaarten, waarbij aan de oudheid vooraf het genoegen werd gegund om het glansrijk te winnen, maar ook wist hij hen bij tijd en gelegenheid eens hartelijk te plagen door b.v. het insluiten op St. Thomas eens heerlijk te laten mislukken, zodat Br. Thomas zich in de voornaamste taak van zijn oude dag bedreigd voelde.
Toch hadden deze oude mensen een grote eerbied voor hun Algemene Overste en een grote dankbaarheid en aanhankelijkheid, zodat Br. Thomas het als een van zijn voornaamste bedieningen beschouwde om de zondagse schoenen te poetsen van de Algemene Overste, waaraan dan ook weer wel een extraatje verbonden was in de vorm van een goede sigaar.
Al waren de inkomsten van de Congregatie in die tijd nog niet ruim doordat de salarissen niet zo bijster hoog lagen, toch wist Br. Silvester met zijn Raad een grote uitbreiding te geven aan de Congregatie. Het voor die tijd kapitaal gebouw van de kweekschool werd voltooid, waardoor er een betere huisvesting kwam voor de toekomstige broeders. Het succursaal van Amsterdam werd gesticht, van Haaren, Ossendrecht en in het Ginneken. Doch stellig was een van de grootste vreugden van Br. Silvester toen de Congregatie kon overgaan tot het aannemen van een missiewerk op Borneo, waardoor de Congregatie rechtstreeks ging deelnemen aan het pionierswerk der H. Kerk.
Ook al ziet de toekomst er niet rooskleurig uit, toch zal de Congregatie nimmer spijt krijgen, dat zij deze missiearbeid heeft aangenomen, gezien het onberekenbare goed dat op heldhaftige wijze daar verricht is door de Broeders.
Ook al zou de persoonlijke aanwezigheid van de Congregatie in die streken moeten wijken,de ontzaglijke toewijding die daar zoveel jaren dag in dag uit is getoond, zal het werk stellig een blijvende waarde schenken.
Voor een mens, die met zulk een oprechte toewijding zowel het algemeen belang als ieders belangen afzonderlijk heeft behartigd, kan het niet anders zijn dan dat het over een zeer hoge leeftijd heen toch alle belangen hem blijven boeien. We weten van Br. Silvester, dat hij een belang stelt in het leven van iedere Broeder, dat hij een grote belangstelling heeft voor al het werk van de Congregatie en dat hem op bijzondere wijze de uitbreiding van het aantal leden ter harte gaat.
Het is geen gewaagde veronderstelling, dat hij met de gedachte aan het Juvenaat opstaat en naar bed gaat. De moeilijkheden aan dit ambt verbonden om middels de juiste propaganda zorg te dragen voor de bloei van het Juvenaat hangen in deze niet alleen af van een hoge leeftijd. Graag geven we toe, dat het reizen, het verblijven, de wisselvalligheid van het weer op de leeftijd van Br. Silvester dieper gevoeld worden dan voor een jonge mens. Doch boven deze moeilijkheden gaat ver uit om bij de propaganda de gulden middenweg te vinden, wijl elke overdrijving in deze meer schade brengt dan voordeel. Bovendien eist het een grote tact om de gewenste relaties te vinden en een oprechte goodwill te kweken bij alle instanties, waar men denkt een zekere bekendheid en medewerking te kunnen verkrijgen. Het eist vooral een persoonlijke instelling, die niet alleen voorbereid moet zijn op tegenvallers, maar die ook deze tegenvallers op een hoffelijke wijze weet te verwerken. Het kan immers mogelijk zijn, dat juist in het hoffelijk aanvaarden van een tegenvaller later een des te groter succes is gelegen.
Wanneer we dit alles overdenken, zal het Br. Silvester niet onbekend zijn, dat het eenmaal moeilijk zal zijn een opvolger voor hem te vinden. Toch zullen de resultaten van zijn werk hem stellig de laatste jaren meer dan tevreden stellen, gezien de werkelijk stijgende bloei van het Juvenaat. En we hopen oprecht, dat hem niettegenstaande zijn hoge leeftijd en niettegenstaande de vele moeilijkheden, hij nog meerdere jaren met vrucht op deze wijze zal bijdragen tot bloei van de Congregatie.
Wanneer we bij een of ander jubilé het leven van de persoon in kwestie overzien, brengt het reeds zijn moeilijkheden mee om de uiterlijke levensdaden naar waarde te schatten, wijl ook deze voor het belangrijkste deel voortspruiten uit het innerlijke va~ de mens. Achter de meest neutrale daad kan vaak ongezien de hoogste intentionele spanning schuil gaan. Vandaar wordt het zo moeilijk om het juiste te zeggen van iemands innerlijke in zoverre dit voor een uiterlijke vertolking in aanmerking komt. Wel kunnen we dit zeggen, dat vroeger én de pensionairen én de wezen èn de kwekelingen een grote eerbied koesterden voor de achterste knielbank in de oude kapel.
Dit was niet alleen door het feit, dat het de plaats was van de Algemene Overste, maar dat daar ook een mens zat, die met zulk een oprechte vroomheid bad. Laat dit ene feitje voldoende zijn, wijl we toch altijd genoodzaakt blijven uit piëteit niet verder op het innerlijk van een mens in te gaan.
Eerw. Br. Silvester, wanneer we Uw leven overdenken en het slechts oppervlakkig aan de buitenkant beschouwen, zal het wel overbodig zijn U te verzekeren, dat de hele Congregatie U ten zeerste dankbaar is voor alles wat U voor haar gedaan hebt. Mogelijk dat het grootste gedeelte van het aantal leden nog door U in de Congregatie is opgenomen en deze zullen U daarvoor dubbel dankbaar zijn. Met alle oprechtheid wensen we U nog vele jaren van een gelukkig en tevreden leven te midden van alle Broeders, waarvoor U van persoon tot persoon zulk een belangstelling hebt.
Br. Stephanus.
Om iets meer te weten te komen wat Br. Silvester gedaan heeft voor de missie laten we hier een brief volgen van de Regionale Overste, Br. Emmanuel, geschreven bij gelegenheid van het gouden Professiefeest van Br. Silvester.
“Een feestnummer van Leeren Leven, gewijd aan Br. Silvester, zou niet volledig zijn als er niet iets in voorkwam over “Br. Silvester en de Missie”.
Hoe onze Congregatie aan een Missie gekomen is, zal wel precies te vinden zijn in het archief, maar de “gewone man” kent de juiste gang van zaken niet.
Het had er indertijd, als wij ons goed herinneren, de schijn van alsof het idee “een Missie overnemen” opkwam onder de Broeders en alsof de Algemene Overste (het hoofdbestuur- Monseigneur) er niet zo erg voor was(waren).
Kreeg niet een Pater Capucijn een aanmerking omdat hij onder een retraite dat idee nogal had gepropageerd? Liet Br. Silvester zich weerhouden door het nijpend gebrek aan krachten? Of was alles slechts schijn en volgde hij de tactiek van een wijze Vader, die zijn kinderen geestdriftig wil maken door hen ze1f een plan te laten uitdenken en zich dan wat weigerachtig houdt om de geestdrift aan te wakkeren? Zeker is, dat niet direct enthousiast werd ingegaan op de wensen der Broeders, maar even zeker, dat vrij onverwachts de zaak werd aangepakt en werd aangepakt met grote voortvarendheid en edelmoedigheid.
In 1921 kregen we ons eerste huis in Singkawang en in 1924 volgde het tweede in Pontianak. En de Algemene Overste was gul in het geven van krachten; hij keek niet op een paar hoofdakten en was zelfs zo royaal, dat Paters op Java aan doorreizende Broeders vroegen: “Heeft jullie Algemene Overste het “daar”? (het gebaar denke U er bij)Wat moet dat achterlijke Borneo met zulke krachten doen? Blijf liever op Java”.
We weten niet of Br. Silvester ooit die kritiek heeft gehoord. Maar al had hij ze gehoord, zij zou op hem geen indruk gemaakt hebben. Hij had zich door het maken van een visitatiereis op de hoogte gesteld van wat nodig was en wist wat hij wilde en deed, en, gezien in het licht van de tegenwoordige tijd kan worden gezegd dat hij beter had begrepen wat Borneo nodig had dan meerderen op Java. Wel overdacht liet Br. Silvester nu een periode van stilstand volgen om het werk tijd te geven om hechter te wortelen. Maar in 1930 ging hij opnieuw naar de Oost om te zien hoe de zaken er bij stonden en wat kon worden gedaan.
Met verschillende plannen keerde Br. Silvester naar Nederland terug en al in 1931 kreeg Pontianak zijn tweede school (ongesubsidieerd) en Singkawang zijn mooi nieuw internaat. Voor allerlei problemen had Br. Silvester zich gedurende zijn visitatiereis geplaatst gezien. Was het niet juister om arme Chinese jongens te samen te brengen in een eenvoudiger internaat, en hen allen Chinees onderwijs te geven? Was de tijd niet gekomen om een begin te maken met zuiver Chinees onderwijs? Was er niet iets te beginnen aan de overkant van de rivier te Pontianak? Was het niet wenselijk nog een derde huis “ergens” bij te nemen?
Zou er voor de Broeders ook te werken vallen onder de Dajaks?
Al deze kwesties werden na de visitatie rustig bekeken en dan voortvarend opgelost. In Singkawang kwam een internaat en Chinese school voor arme jongens;
Pontianak krèèg aan de overkant zijn Hoi-Sen school(zuiver Chinese school) voorlopig in een gehuurd huis. Met Bandjarmasin kregen we ons derde huis.
Tot zijn grote spijt kon Br. Silvester om meerdere redenen nog geen begin maken met het rechtstreeks werk onder de Dajaks.
Maar hij financierde voor jaren een kampongschool in een veel belovend gebied, zoals hij later twee Chinese scholen bekostigde die om hun ligging moeilijk door de Broeders kon worden overgenomen. In 1937 kwam er in Pontianak zelfs een hande1sschool en Br. Silvester bracht zelf de eerste kracht. Gedurende deze visitatiereis werd besloten tot de bouw van een mooie Chinese school voor de Hoi Sen en als verrassing voor iedereen bewerkstelligde Br. Silvester de stichting van Blitar. Als laatste stichting heeft Br.Si1vester op zijn naam staan de Mulo van Koedoes. Dank voor alles
Br. Emmanuel