197 Br. Antonius Slamet
Geboren te Djitar Dukuh : 07-02-1951
Ingetreden : 06-02-1972
Eerste Professie : 08-12-1973
Eeuwige Professie :
Overleden te Surabaya : 02-09-1979
Begraven te Malang : 04-09-1979
Op jeugdige leeftijd werd Br. Antonius door God geroepen naar het Vaderhuis. Vooral tijdens zijn ziekte, toen hij veel leed, was hij een voorbeeld van goedheid, geloof en geduld. Door zijn bescheidenheid trad hij niet graag op de voorgrond. Hij was blij met het minste dat hem in de verzorging en verpleging geboden werd. Dankbaar was hij zoals een trouw volgeling van Franciscus van Assisi betaamt, voor de buitengewone zorg in het ziekenhuis van Surabaya, voor het bezoek van broeders en familieleden.
Hij is in 1972 bij ons gekomen, een rustige volwassen jonge man van weinig woorden.
Hij viel niet op, maar je kon op hem rekenen. Dat hij er was, dat hij zijn werk deed, merkte je eigenlijk pas, toen hij uit zijn gewone doen raakte, doordat hij ziek begon te worden. In die periode van zijn leven kon hij soms wat kregelig worden en had hij zich wat minder in de hand.
Hij kwam in het ziekenhuis van Banjarmasin terecht en werd behandeld om van geelzucht te genezen. Hij was toen al broodmager en had een studieopdracht in Yogya gekregen.
Al hield hij van Banjarmasin, zijn convent, zijn werk, toch had hij echt zin om weer student te worden en onze Broeders in Yogya zagen hem met verlangen tegemoet. Rond Kerstmis 1978 mocht hij van de dokter naar huis, maar toen hij na de jaarwisseling op controle kwam, bleek zijn bloed niet in orde en werd hij voor verder onderzoek naar Surabaya gestuurd, naar het R.K.Z. (Rooms Katholiek Ziekenhuis) terecht grote bekendheid geniet door liefdevolle, deskundige verpleging o.l.v. bekwame specialisten.
Een grondig onderzoek geleid door Dr. Subandiri, de bloedspecialist van het R.K.Z., bevestigde de bange vermoedens. Leukemie oftewel bloedkanker, kwaadaardig in zijn soort en dodelijk vooral voor jonge mensen. Was het zijn sterke hart, zijn onstuimige wil om beter te worden; de knappe dokter met zijn sterke medicijnen, waardoor zijn leven nog gerekt kon worden?
De dokter sprak in januari van nog maar een drie maanden het zou echter nog 2 september worden, voordat Anton de strijd tegen de . dood moest opgeven. In april heeft het er zelfs even op geleken dat, zoals in heel enkele zeldzame gevallen, de patiënt spontaan genezen was.
Hij mocht en kon reizen en kreeg verlof om wat licht werk te gaan doen. Hij ging in Lawang, 75 km, van Surabaya wonen, waar wij ons noviciaat hebben, maar bleef onder controle van de specialist in Surabaya en benutte de tijd om onze Broeders in Pati en Yogya te bezoeken. Ook zijn ouders, die zelf niet ver van huis kunnen gaan, werden toen door hemzelf thuis in de buurt van Yogya opgezocht.
Sinds 1973 was Antoon in Banjarmasin werkzaam en Mgr. Demarteau zou op 6 mei 25 jaar bisschop zijn van het bisdom Banjarmasin. Op 4 mei was Antoon met het briefje van het laboratorium over het laatste bloedonderzoek bij de dokter en vroeg of hij naar het feest van zijn Bisschop mocht.
Een paar uur na aankomst op het vliegveld in Banjarmasin was het eigenlijk al weer mis en ging hij naar bed. Op de grote dag voor Monseigneur is Antoon op zijn kamer gebleven en daags daarna was hij echt ziek en wilde hij zo snel mogelijk terug naar Surabaya en zijn dokter en hij voelde zich pas wat geruster, toen hij weer op een ziekenhuisbed lag.
De nieuwe aanval zette echter door en de koorts bleef oplopen en het tweede bloedonderzoek in de eerste week van de inzinking was -zodanig; dat de dokter de tijd gekomen achtte om Antoon in te lichten over de ware aard van zijn ziekte, en werd hem, het Sacrament der zieken toegediend.
Aanvankelijk bleef hij rustig en, gelaten onder het aanhoren van het slechte nieuws en kon hij de daarop volgende ervaringen kalm verwerken. De daarop volgende dagen kon hij door de moordende koortshitte en een dodelijke vermoeidheid niet meer in slaap komen en lag dan te woelen terwijl hij ook hevige last had van een keelontsteking, die in dat stadium van de ziekte meer voorkomt.
Dat waren dagen en nachten waarop hij verlangde naar een snelle verlossende dood. Het innemen van medicijnen, het eten, het aanvaarden van een bloedtransfusie waren toen voor hem handelingen die hij net ze lief zou hebben nagelaten. Hij had zich volkomen overgegeven en berustte in zijn lot, naar opnieuw werd hij onrustig, opnieuw, kwam er verlangen om weer gezond te worden naast de angst voor een loerende dood en hij vroeg om een H. Mis op zijn kamertje. Ofschoon hij toen heel zwak was en dikwijls wegzakte in een lichte sluimer, bleef hij tijdens die Eucharistieviering ingespannen met zijn grote ogen starend misgebeden en lezingen volgen.
Op eigen verzoek communiceerde hij onder twee gedaanten en die viering deed hem veel goed, want daarna bleef hij kalm en rustig alles aanvaarden. Op dinsdag 22 mei werd precies na een week vóór de tweede aanval, voor de tweede maal bloedtransfusie toegepast en tot ieders verbazing gebeurde het tegengestelde van wat algemeen verwacht werd. Daags na Hemelvaart vroeg hij voor ontbijt om brood terwijl zijn zieke keel, al wekenlang alleen dun vloeibaar voedsel had doorgelaten. Ook vroeg hij om zonder hulp te mogen eten. Met een paar kussens in de rug werd het feestelijk ontbijt tot de laatste kruimel verwerkt. Het ging geleidelijk aan weer steeds beter en de voortdurende nabijheid van een medebroeder was niet meer nodig.
Op 9 juni en later kon Bram geruststellende berichten doorsturen tot eind juni, toen Br. Marcoen, die toen de “wacht” van Bram had overgenomen, melden moest, dat Antoon neiging kreeg om over te geven en werd overvallen door duizeligheid. Er werd een neuroloog bijgehaald en onderzoek van de ruggengraat en hersenvocht wees uit, dat in dat deel van zijn lichaam een ontstellende hoeveelheid witte bloedlichaamjes voorkwam.
De werking van de ingenomen medicijnen reikte niet tot in de hersenen en het ruggenmerg. Ook antibiotica konden daar niet doordringen zodat men toen is overgegaan op bestraling.
De eerste serie bestralingen had een goede uitwerking en Antoon kon alles toen goed verwerken, ook lichamelijk; en hij mocht zelfs op de laatste dag in juli het ziekenhuis uit en zou op 27 augustus weer bij de neuroloog moeten komen, maar medio augustus kreeg hij weer koorts en de erbij gehaalde neuroloog liet hem onmiddellijk opnemen en weer bestralen.
Deze keer werd Antoon door dat bestralen echter doodziek; hij kon er niet meer tegen. Zijn lichaam was al weer te zwak geworden en hij kreeg last van barstende hoofdpijn; dus werden de bestralingen stopgezet en een paar dagen later lag hij weer rustig gekheid te maken. Hij voelde zich redelijk goed en had weer wat eetlust. Doch het was maar schijn, want het bloedonderzoek liet een steeds verder gaande afbraak zien en de leucocythen uit het hersenvocht gingen zich in de bloedbanen verspreiden en dat werd het einde van deze vriendelijke, behulpzame en mentaal ijzersterke medebroeder uit het verre Yogya, aan wie wij hebben durven vragen te bidden en te offeren voor onze dierbare Congregatie en de kerk van Indonesia. Hij ruste in vrede.
Br. Domitius.