017 BROEDER LEONARDUS (CORNELIS MARINUS BAAYENS)
Geboren te Etten : 04 – 09 – 1846
Ingetreden : 11 – 05 – 1865
Inkleding : 06 – 01 – 1866
Professie : 29 – 09 – 1869
Overleden te Huijbergen : 18 – 07 – 1902
Begraven op het kloosterkerkhof.
Broeder Leonardus vervulde o.a. de volgende taken:
Novicemeester op 12 – 5 – 1871
Huisoverste van Ste. Marie 1886
Algemeen Overste van de Congregatie 19 – 7 – 1888 tot 28 – 8 – 1900
Vicaris van de Congregatie op 28 – 8 – 1900
Onder zijn zegenrijk bestuur begon al heel gauw een Normaalschool en de aanwerving van normalisten.
Er werd gebouwd : Kapel in 1889
: Refter voor de broeders 1895
: studiezaal, recreatiezaal en slaapzalen voor de broeders 1893
: Boerderij 1898
: Aanleg tuin “Lereto”
Nieuwe stichtingen : Breda, succursaal met school Karrestraat 1890
Enige tijd later de scholen in de Leuvenaarstraat en Kerkstraat.
Oosterhout, het succursaal 1895
Cornelis Baayens, geboren als de zoon van een welgestelde familie, die het ambacht van smid uitoefende.
Cornelis voelde echter niet veel voor dit vak. Zijn aspiraties lagen hoger. Met zijn dorpsgenoot A. Verboven, die kleermaker was, had hij het vaak over de in 1854 gestichte Congregatie van de broeders te Huijbergen, met het gevolg dat beiden daar hun intrede deden. Cornelis Baayens op 11 mei 1865 en A. Verboven op 6 juli daarop volgende.
Bij de inkleding na het Noviciaat kreeg Baayens de naam broeder Leonardus en Verboven die van broeder Ignatius. Beide nieuwe leden uit Etten zijn een sieraad geworden van de groeiende Congregatie. Broeder Leonardus, waar het hier over gaat, maakte reeds bij zijn intrede een zeer gunstige indruk op heel zijn omgeving. Jammer dat de postulant al ruim 19 jaar was, wat wel geen overwegend bezwaar was om de jongeman met zijn gezond en helder verstand nog aan de studie te zetten voor onderwijzer, maar Rector Nelen ontdekte in de opgewekte vrolijke man alras hoedanigheden, die hem buitengewoon geschikt zouden maken voor gewichtige functies buiten het onderwijs en zulke broeders waren ook hard nodig.
Het prettige karakter van broeder Leonardus werkte bezielend op zijn medenovicen, die hij stichtte door zijn onvermoeide werkzaamheid en stipte naleving van alle kloosterlijke voorschriften, niet het minst door zijn opvallende godsvrucht en diepe eerbied in de kapel. Geen wonder dat de jonge broeder al gauw bemind was in heel de communiteit. Op 29 september 1869 deed broeder Leonardus eeuwige Professie, tegelijk met zijn dorpsgenoot broeder Ignatius.
En zie, twee jaar later werd broeder Leonardus door Mgr. van Genk waardig en geschikt gevonden voor de gewichtige post van Novicemeester, iets wat volgens de thans geldende kerkelijke wet niet mogelijk is. Alleen blijkt hieruit wel heel duidelijk, hoe hoog deze jonge geprofeste broeder om zijn deugd en aanleg om leiding te geven bij zijn overheid stond aangeschreven. Tot 1886 heeft broeder Leonardus deze vertrouwenspost bij de novicen vervuld.
Ondertussen zag het bestuur van de Congregatie onder het groeiend aantal broeders in broeder Felix van der Veeken, geboren in Baarle Hertog (België) een zeer geschikt opvolger van broeder Leonardus als novicemeester, toen deze in 1886 benoemd werd tot Overste van het Instituut Ste. Marie. Met vreugde namen alle broeders kennis van deze benoeming, want Br. Leonardus was vooral om zijn beminnelijkheid een zeer geziene persoonlijkheid. Directeur Graumans werd bovendien bij deze benoeming geleid door de ervarenheid en het wijs beleid van broeder Leonardus in alle voorkomende moeilijke omstandigheden en dat maakte deze keuze en benoeming tot een gelukkige. Het Instituut had een Huisoverste die belang stelde in alles. De broeders zagen in hun overste een zorgzame vader en wezen en pensionairen ondervonden ook de heilzame gevolgen van de ook voor de jongens belangstellende overste. Het Instituut vaarde er in zijn geheel wel bij in alle opzichten.
Directeur Graumans, die nog altijd namens de Bisschop van Breda als overste belast was met de geestelijke en tijdelijke belangen van de Congregatie met nu broeder Leonardus als huisoverste naast zich, bracht vanzelfsprekend de superioriteit van broeder Leonardus bij Mgr. Leyten ter sprake. In 1885 Bisschop van Breda geworden was Mgr. Leyten een en al belangstelling voor de nieuwe Congregatie en liet zich door Directeur Graumans nauwkeurig inlichten over de nieuwe stichting en die inlichtingen waren zo gunstig, dat Monseigneur haar weldra meer vorm en gestalte wilde geven door haar in 1888 geheel gewijzigde Constituties te geven, waarin vele en gewichtige veranderingen en verbeteringen werden aangebracht. Tot nu toe stond aan het hoofd van de Congregatie een door de Bisschop van Breda aangestelde priester met naast zich een broeder als huisoverste. De nieuwe Regel bracht hierin verandering.
Het bestuur van de Congregatie werd nu toevertrouwd aan een vijftal broeders. Zij vormende het Hoofdbestuur: een algemene Overste, een vicaris, en drie assistenten, te kiezen door alle stemgerechtigde broeders die zes jaar geprofest waren voor de tijd van drie jaar.
Op 19 juli 1888 had onder leiding van Mgr. Leyten de verkiezing plaats van het eerste Hoofdbestuur van de Congregatie. Dit was een gewichtige gebeurtenis in de geschiedenis van de Congregatie.
Tot algemene Overste werd gekozen : BROEDER LEONARDUS BAAYENS
Tot vicaris werd gekozen : BROEDER ALOYSIUS HOOSEMANS
Tot assistenten werden gekozen : BROEDER FELIX v.d.VEEKEN, (ook Novicemeester)
: BROEDER FRANCISCUS KERREMANS en
: BROEDER BENEDICTUS v. ZUNDERT
Ziedaar het eerste Hoofdbestuur van de Congregatie met broeder Leonardus als eerste Algemene Overste.
Al spoedig toonde broeder Leonardus zich een geboren leidinggevende overste. Zijn ijveren voor de vooruitgang van de Congregatie, die hij als zijn moeder lief had, was onuitputtelijk. Nauwelijks tot Algemene Overste gekozen ging men over tot de bouw van een nieuwe kapel, waarvan Directeur Graumans in 1888 de eerste steen legde. In het verlengde van de kapel werd een nieuwe vleugel gebouwd met spreek en logeer- en woonruimte, waaronder een flinke eetzaal voor de pensionairen. Ook wijdde hij zijn volle aandacht aan de uitbreiding en verbetering van de gebouwen, uitsluitend bestemd voor de broeders. Zo werd in 1893 gebouwd een studie- recreatie- en slaapzaal, gemoderniseerd volgens de eisen van die tijd en een paar jaar later een nieuwe eetzaal.
In 1889 werd de Zeereerw. Heer van der Bom benoemd tot Rector van de broeders en wezen. In deze ware vriend van de broeders vond de Algemene Overste een grote steun om in de kring zijner medebroeders nieuw en fris leven te storten door betere en ruimere ontspanning in de recreatietijd en gezellige wandelgelegenheid door de aanleg van een prachtige wandeltuin, genaamd “Loretto”. In 1898 kreeg ook de boerderij van het klooster een beurt, door haar een nieuw woonhuis en nieuwe stallen te geven, wat haar maakte tot een moderne boerderij van die tijd.
Uit dit alles bleek de brede blik van broeder Leonardus, die met zijn tijd wist mee te gaan of die zelfs vooruit 1iep. Intussen was het aantal leden van de Congregatie zo toegenomen, dat gedacht kon worden aan nieuwe stichtingen. Maar om daartoe te kunnen komen moest met alle macht gewerkt worden aan de opleiding van steeds meerdere broederonderwijzers, wat dan ook ten koste van alles gebeurde in een bloeiende Normaalschool.
Met de grootste zorg werd ook alles gedaan om het Noviciaat, dat in de nieuwe Regel van twee tot vier jaar verlengd was, te maken tot een vormschool van degelijke religieuzen. In 1890 stichtte broeder Leonardus het succursaa1 te Breda, school Karrestraat en enige tijd later de scholen in de Leuvenaarstraat en Kerkstraat In 1895 kwam het tweede succursaa1 te Oosterhout tot stand.
Waar zoveel en in zo korte tijd tot tand kwam is het niet overdreven te spreken van een zegenrijk bestuur van de eerste Algemene Overste, broeder Leonardus.
Niet te verwonderen is het daarom, dat de broeders hun overste zagen als de rechte man op de rechte plaats in de Congregatie en hij a1gemeen zeer bemind was. Zijn naamfeest op 26 november werd altijd zeer prettig en vrolijk gevierd, maar daags tevoren werd altijd door broeder. Leonardus zelf een stille wenk gegeven, dat er nergens versiering mocht worden aangebracht, zelfs in de kapel niet. Zijn feest mocht niet opvallen, dat verbood zijn grote bescheidenheid en nederigheid.
Broeder Leonardus was van een zwakke gezondheid en zijn langdurige ziekte was aanleiding, dat hij ontslag vroeg in 1900 van het ambt van Algemene Overste, wat echter niet belette, dat hij op 28 augustus 1900 nog gekozen werd tot Vicaris van de nieuwe Algemene Overste, broeder Julianus.
Op een nacht, dat de broeders die bij de zieke waakten, dachten dat het einde nabij was, staken zij maar vast de doodskaars aan, maar broeder Leonardus zei: “Neen, broeders, het is nog te vroeg, doe de kaars weer maar uit. De volgende morgen lachte de patiënt het meest om dit nachtelijk gebeuren. Veel en langdurig is er door de communiteit van Huijbergen en in de succursa1en van Breda en Oosterhout voor het behoud van hun overste gebeden, doch O.L. Heer beschikte het anders en op 18 juli 1902 is de eerste Algemene Overste, broeder Leonardus zacht en kalm overleden. Hij is als een heilige gestorven en was in zijn leven steeds de grote steun van de nieuwe Congregatie, die hij tot zo grote bloei gebracht heeft.
Bronnen: – Schrijven van broeder Silvester
– N.N.