IM045 BROEDER DANIEL (MARINUS VAN PUL)

045 BROEDER DANIEL (MARINUS VAN PUL)

Geboren te Halsteren : 23 – 03 – 1865
Ingetreden : 14 – 06 – 1895
Inkleding : 31 – 08 – 1895
Eerste Professie : 26 – 08 – 1897
Eeuwige Professie : 26 – 08 – 1899
Overleden te Huijbergen : 05 – 10 – 1926

“OP HET KERKHOF” GEZANG:

Wederzien die lieve kranken,
Voor wier welzijn ik zoo bad;
Om wier sterven ik moest danken,
Voor wie de aard geen vreugd meer had.

Die gedachten schoten mij te binnen, toen ik op die schone Oktobermorgen, de vijfde vrijdag van de wijnmaand, aan de begrafenis van broeder Daniël deelnam.
Bijna geheel het jaar was hij sukkelend en bedlegerig geweest. Een maagkwaal bracht hem eindelijk zover, dat hij in september van dit jaar te Bergen op Zoom moest geopereerd worden. Men gaf de maag een andere ingang en sedert dien tijd werd hem door een buisje het voedsel toegediend. De ondervinding heeft bewezen, dat het met zo iemand niet lang meer duurt. Toch hoorde men hem nooit klagen, doch zijn vurigste verlangen was, spoedig ontbonden te worden, om met Christus te leven.

Op 30 jarige leeftijd trad hij hier te Huijbergen in het klooster en volbracht steeds zijn plichten met buitengewone nauwkeurigheid, en ofschoon ingetogen en bedaard van karakter wist hij zich buitengewoon goed aan te passen en de familiaire naam “Daantje” bewijst genoeg, dat ze allen veel van hem hielden.
In zijn jeugd had hij vooral veldarbeid gedaan, maar zo handig was hij in alles, dat hij, waar het paste, ook voor timmerman, metselaar, schilder, behanger eens werkzaam kon zijn. Vele jaren diende hij in het klooster als kok en was niet alleen in het moederhuis, maar meer nog in de succursalen werkzaam. In Bergen op Zoom nam hij daarbij de kaarsenmakerij ter hand.

Daniël moest werken, bleef er nog tijd over, dan zocht hij nog op andere wijzen nuttig te zijn. Voorwaar op hem is het woord van Christus toepasselijk: “Welaan getrouwe knecht, over weinig waart gij waakzaam en veel zal U geschonken worden: treed binnen in de vreugde uws Heeren.” Ieder die hem in de laatste levensdagen bezocht, werd door medelijden aangedaan. Hij lag daar op zijn laatste legerstede als uitgemergeld, alleen zijn ogen spraken nog en vertelden van de smarten die hij leed.
Op dinsdag namiddag ongeveer 2.30 uur, maakte de dood een einde aan zijn braaf en werkzaam leven. “Gelukkig de mensch, die door God geroepen, om zijn bezittingen en bloedverwanten te verlaten, bereidvaardig gehoorzaamt en zegt: Heer, in eenvoud des harten breng ik U alles blijmoedig ten offer. Zalig de mensch, die de beproeving doorstaat, want als hij beproefd zal zijn, zal hij de Kroon des levens ontvangen”.(Jac,l,12)

Bronnen: Korte levensbeschrijvingen van Rectoren en Broeders, door broeder Pacificus