108 Broeder Engelmundus Zwaarts
Geboren te Tilburg : 09-04-1904
Ingetreden : 12-04-1925
Eerste Professie : 16-08-1926
Eeuwige Professie : 17-08-1929
Overleden te Huijbergen : 23-04-1960
Geweldig impulsief, uitbundig of neerslachtig,
Hield hij van feest en pret, van zang, toneel, muziek.
Zijn kinderlijk gemoed, wat grillig, maar waarachtig,
Zocht vreugde om zich heen en hield van romantiek.
Haast heel zijn kloostertijd, is hij steeds kok gebleven,
Al bleef hij zelden lang in het zelfde klooster staan.
God sloeg hem onverwacht, nog in de kracht van het leven,
Al schuwde hij dit kruis, hij nam het moedig aan.
Nog bijna twee jaar lang heeft hij vol moed gestreden,
Die uitzichtloze strijd, zo bitter en zo zwaar.
Aan God slechts is bekend, hoezeer hij heeft geleden,
Met wonderlijk geduld, gelijk een martelaar!
Wij, die zijn groot geduld, zijn sterkte in het lijden,
Aanschouwden met ontzag, wij zien hem in de geest
Getooid nu met de kroon, die Christus hem bereidde,
Waarmee hij aanzit nu aan het hemels jubelfeest!
Br. Engelmundus is bijna zijn gehele leven kok geweest. Dat begon al in 1926, twee jaar na zijn intrede in de Congregatie, en met een onderbreking van 1951 – 1953, hij was toen surveillant bij de Juvenisten in Huybergen heeft hij de Congregatie in dezelfde functie, maar in verschillende huizen, tot zijn laatste ziekte toe gediend. Als bij alle bedieningen het , geval is, heeft hij daarin lief en leed gekend.
Op zijn ziekbed vertelde hij nog, half serieus, half lachend, hoe hij, toen hij al verscheidene jaren voor het vuur had gestaan, er soms nog niet in slaagde de pudding stijf te krijgen, en hoe deze schijnbaar kleine tegenspoed voor hem een ware beproeving was. We vergeten ook zijn ontsteltenis niet, toen bleek dat de kachel, waarmee hij in ons pas geopend refugiéhuis in Halsteren moest beginnen (februari 1944) wel blonk, maar niet wilde branden. En het eten moest toch klaar zijn voor 30 mensen. Maar onder alle herinneringen aan hem domineert geheel en al het beeld van zijn laatste ziekte en van de wijze waarop hij die heeft gedragen.
Toen hij, van 1955 – 1957 kok was in het St. Jansklooster, voelde hij zich minder goed. Hij had allerlei klachten en wist niet goed raad met zichzelf, en ook de dokter kon er niet achter komen.”Ik denk dat het een zekere overspanning is” zei hij tegen de Algemene Overste, toen die hem een keer te bed aantrof, wat moe en bleek en mager. Bij het zeer pijnlijk onderzoek dat later plaats had, verbaasde hij de Zusters door zijn dapperheid. Maar vooral in de lange laatste fase van strijd tegen de voortwoekerende ziekte heeft hij zijn omgeving met bewondering vervuld.
De hoop op beterschap gaf hij niet zo spoedig op:”Als we beter weer krijgen en eens naar buiten kunnen” Of misschien zelfs:”Weer wat te mogen werken”, Maar ten slotte zei hij:”Zo onnozel ben ik niet; ik weet wel waar het heen gaat”, Dit werd nu zijn voornaamste taak: het lijden als christen en religieus te aanvaarden. Hij kon te midden van zijn groot lijden nog genieten van een mooi muziekstuk op de radio; hij voelde zich getroost met de warme brieven van zijn vriend, dhr Gommers, leraar aan de St. Lambertus-ULO te Breda; hij was gelukkig om het meeleven van zijn familie. Zelf was hij zeer dankbaar voor alle zorgen.
N.N.