IM109 Broeder Canisius van de Ven

109 Broeder Canisius van de Ven

Geboren te Tilburg : 27-04-1890
Ingetreden : 01-11-1907
Eerste Professie : 01-01-1910
Eeuwige Professie : 31-12-1911
Overleden te Huijbergen : 20-12-1960

Als medestudent heb ik hem gekend op de Kweekschool, in de jaren 1907-1908. Hij had ongeveer een jaar het schildersvak beoefend in Tilburg, zijn geboorteplaats, alvorens hij gevolg gaf aan zijn roeping tot het religieuze leven. Hij was een buitengewoon student. Een groot doel had hij zich gesteld: n.l. als religieus-onderwijzer zijn leven aan God te wijden. Hij behaalde de onderwijzersakte met glans.

Zijn eerste werkkring was aan het Weeshuis te Huybergen en hij deed alles wat hij kon voor zijn jongens. Hij streed uit alle macht om verbetering te brengen in het leven van deze kinderen. Het was toen voor onze congregatie geen gemakkelijke tijd. Financieel stond ze er slecht voor – er was nog geen gelijkstelling en de bijdragen voor de weesjes waren zeer gering. De verzorging was dan ook niet wat ze zijn moest: ongezonde slaapzalen, kale refters, armoedige klaslokalen, een uniforme kleding, het dagelijks aardappelen schillen voor heel het huis, het schoenpoetsen voor de pensionairen en in de zomer steeds fruit plukken. Br. Canisius heeft er zijn uiterste best voor gedaan.
In die tijd kwamen er ook meer leerlingen. In die periode behaalde hij zijn hoofdakte. Het duurde niet lang of hij werd benoemd tot leraar van de Kweekschool. Hij was een der knapste leraren.. Zijn lessen werden dan ook ten zeerste gewaardeerd. Mgr Bos met zijn zonnige, vrolijke kapucijnennatuur kreeg het gedaan in 1926 een vijftal broeders voor zijn missie te charteren.

Van die eerste”vijfling” was Er. Canisius de aanvoeder. Na een lange reis bereikten ze Borneo. In Singkawang was de overgrote meerderheid van de bevolking Chinees. Br. Canisius zag we in dat hij zonder voldoende kennis van de Chinese taal moeilijk contact met de bevolking zou krijgen.
Met al zijn energie wierp hij zich op de studie van deze zeer moeilijke taal Overgeplaatst naar Pontianak zette hij zijn studie in het Chinees voort Hij trok na zijn pensioen (daar op 45 jaar) een paar jaar naar Noord-China. Nadien besteedde hij al zijn tijd voor de Chinese school in Pontianak.

Langzamerhand kon Canisius toch niet meer tegen zijn taak op. Hij vermagerde zienderogen. Zijn plan was nu een tijdje naar Nederland te gaan en daarna met nieuwe moed weer te beginnen. Eerst ging hij nog een tijdje naar Pati- op Java waar maar twee broeders woonden. De reis was voor hem zeer vermoeiend geweest; men dacht dat hij zou sterven. Na een periode van rust knapte hij weer op en zijn toestand was nu zo, dat hij met het vliegtuig naar Nederland kon.
Toen men hem in Dusseldorf ging afhalen verschrokken de Broeders, zo slecht zag hij er uit.
Het duurde niet lang of we ontvingen het bericht van zijn dood. Dit droeve bericht bracht heel de overkant van Pontianak in beweging en in diepe rouw.
Als er een is aan wie de congregatie én de missie op Borneo veel te danken hebben, dan is het zeker Broeder Canisius. ‘

uit “Familienummer van Leer en Leven”
We zouden Br. Canisius onrecht aandoen, als we bij het opnoemen van zijn grote gaven vergaten dat hij daarbij een echte Broeder van Huybergen was.
Als jong geschiedenisleraar aan de kweekschool stond hij voor de taak praktisch zijn eigen Katholiek leerboek te schrijven, omdat in 1912 “Commissaris” en zelfs “Kleijntjes en Huibers”nog niet verschenen waren. Zijn dictaten waren knap en oorspronkelijk, en het is bekend dat ze onder de leerlingen van een neutrale, sterk protestants georiënteerde, normaalschool circuleerden, omdat de jongelui ze ver de meerdere vonden van hun eigen lessen.

Als opvoedkundeleraar – hij is de eerste bezitter geweest van de akte Paedagogiek M.O. in de Congregatie – bracht hij zijn leerlingen op heldere wijze in contact met de eigentijdse stromingen.
Hij beschikte over een fijne neus in zijn lectuur datgene te kiezen wat waarde had, ook voor het leven menig boek dat door hem werd aanbevolen miste op zijn jonge toehoorders niet die hij ervan gehoopt had.
Merkwaardig is het, hoe hij in de nog geen twee jaren hoofdschap van de school in Hulst ( van 1 sept 1915 – 1 mei 1917) daar een faam vestigde. De genegenheid van zijn Hulsterse oud-leerlingen verschafte hem dertig jaar later bij zijn derde vertrek naar Borneo nog een rijke “uitzet”, en bij zijn sterven was hun condoleance een van de meest welsprekende.

Br. Canisius is de eerste Overste geweest in onze Missie, waarvoor hij zich bij de oproep tot aanmelding in 1920 aanstonds beschikbaar had gesteld. “Wat jammer”, zei de grote vriend van de Congregatie,Inspecteur Verbeeten, zaliger gedachtenis,” dat zo’n talent voor de Kweekschool verloren gaat.” Maar Br. Canisius heeft dat talent ook in de Missie niet begraven. Hij begreep dat de wetenschap een van de fundamenten moest zijn van het missioneren en hij werd, hiertoe mede in staat gesteld door een vrij langdurig verblijf in Peking, waar hij aan de bronnen kon studeren, een kenner van de Chinese taal, waarvoor ook de ontwikkelde Chinezen grote eerbied hadden. Zijn bij de firma Brill uitgegeven leerboek van deze moeilijke taal draagt een wetenschappelijk karakter en de bekende sinoloog Professor Dr. Duivendak van de Leidse Universiteit, die hem alle gewenste hulp verschafte, gaf hem te verstaan dat hij van zijn Universiteitscolleges niets meer te leren had. Toen in 1947 dhr. St.Meijer, later een van de hoogste ambtenaren van het Departement van Buitenlandse Zaken in Den Haag, mede als taak had het Chinese onderwijs in West-Borneo van hoog tot laag te organiseren, kwam hij persoonlijk aan de Algemene Overste, toen op visitatie in Pontianak, vragen of hij Broeder Canisius aan de top mocht stellen van het door hem, Meijer, ontworpen systeem.
De veertig Borneose jaren van Broeder Canisius zijn een periode geweest van het meest toegewijde en belangloze apostolaat. In het moeilijke werk der Broeders in die tijd, het beïnvloeden nl. van de mentaliteit der Chinezen, heeft Broeder Canisius een grote rol gespeeld. Vooral ook, doordat hij niet alleen met de taal, maar ook met de opvattingen van de Chinezen geheel vertrouwd was.
Broeder Canisius bezat een grote persoonlijk moed. Pijn en teleurstelling troffen hem, fijngevoelig als hij was, diep, maar hij liet er zich niet door terneerslaan. Z.H. Exc. Mgr. van Valenberg OFM,Cap. Apostolisch Vicaris van Pontianak, zei, dat bij de bezetting van Borneo door de Japanners en in de tijd van de bittere gevangenschap in Kuching de rustige dapperheid van Broeder Canisius voor hem een steun en een verkwikking waren.

Deze moed heeft Br. Canisius vergezelt tot zijn dood toe. Toen hij ondermijnd door ziekte en tot een schaduw vermagerd, in augustus 1960 repatrieerde, maakte hij al weer plannen om aan het werk te gaan voor zijn geliefde missie. “Als ik soms niet zou kunnen lopen, laat ik me rijden; dan hoef ik nog niet leeg te zijn,” zei hij, En al beweerde hij toen zijn kwaal verergerde, dat “het geduld soms hoog in de hemel hing”, zijn moed verloochende zich ook hier niet, en er was geen dankbaarder patiënt dan hij. Toen het duidelijk was dat het einde naderde, zei hij ook daar zijn fiat op. “Ik aanvaard de dood” bad hij met grote duidelijkheid de priester na, bij de gebeden na de bediening.
Wat hij ook tot het einde bewaarde, was zijn liefde en dankbaarheid voor de Congregatie. Zijn Zusters vertelden, hoe hij hen met een zekere trots over Huybergen sprak. Daar was alles beter dan elders, tot de eigen gebakken speculaas toe. In de brieven waarin hij jaarlijks verslag uitbracht van zijn werkzaamheden en zijn wel en wee, is uiteraard niet alles zo rooskleurig, maar zijn trouw aan de gemeenschap is het leidmotief van wat hij schrijft. En tot in hun uiterlijke vorm weerspiegelen deze onberispelijk gestileerde documenten een haast kinderlijke eerbied voor het gezag in de Congregatie.
De Congregatie op haar beurt is er dankbaar voor, hem tot haar zoon te hebben.