165 Broeder Hilarius Wilhelmus Martinus Maria Simons
Geboren te Tilburg : 17-08-1890
Ingetreden : 04-05-1907
Eerste professie : 04-09-1909
Eeuwige Professie : 02-09-1911
Overleden te Huijbergen : 22-04-1973
Bij zijn definitief heengaan uit onze kring heeft Broeder Hilarius even weinig gerucht gemaakt als hij in z’n dagelijkse leven gewoon was te doen. Broeder Archangelus vond hem ‘s morgens vroeg in vermoedelijk dezelfde houding waarin hij s avonds tevoren was ingeslapen. Zijn gezicht was alleen bleker dan
anders. Die avond had hij nog, zoals hij altijd deed, het nieuws van acht uur op de TV gevolgd en een gedeelte van het daarop aansluitende program, en was toen naar bed gegaan.
De genegenheid waarmee wij aan hem terugdenken zal bij ons allen wel moeilijk te scheiden zijn van een zekere eerbied.
Zijn karigheid in woorden, die onmiddellijk opvallend kenmerk was van zijn persoon kwam niet uit geestelijke armoe voort. Hij was een wijs en schrander man die zijn gaven in het communiteitsleven en in andere verantwoordelijke opdrachten – novicenmeester ,hoofdbestuurslid, huisoverste, supervisor van bouwwerkzaamheden en meer andere- wel had besteed.
En door lectuur o.a. van menig goed Frans boek – had hij zijn belangstelling voor een ruimer veld dan het onmiddellijke leef terrein wakker gehouden. Evenmin was zijn beknoptheid in het spreken een uiting van gebrek aan hart. Integendeel, de dingen die, rondom hem gebeurden leef de hij mee, met zijn hele persoon. Toen Ste .Maria in november 1941 door de Duitsers in beslag was genomen en Broeder Hilarius als overste van het kleine – in het huurhuisje van Van Pul – achterblijvende convent bij de eerste maaltijd de tafelgebeden voor zou bidden, brak hij in tranen uit.. Ik heb dat zelf niet meegemaakt; de aanwezige medebroeders hebben het me verteld, maar dat was echt Hilarius. Waarmee ik evenwel niet wil beweren dat ik me herinner hem ooit in duidelijke neerslachtigheid gezien te hebben. En minst van al was zijn reserve bij het converseren een demonstratie van gestoord humeur. Misschien deed hij meer intens met het gesprek mee dan menig ander, en het kon wel gebeuren dat zijn laconieke opmerkingen een minder prettige waarheid soms wat onverbloemd deden overkomen; maar het lag niet in zijn bedoeling iemand te kwetsen.
Zijn verbale zuinigheid had in ieder geval het voordeel dat zijn uitspraken gemakkelijker in het geheugen van de hoorders bewaard konden blijven dan lange tirades plegen te doen. Uit een vrij ver verleden,- hij was toen socius van novicenmeester Amandus – herinner ik me van hem hoe zijn opmerkingen mij wel eens tegen de draad in leken te gaan. Niet alles wat in de toenmalige opvattingen met een aureool werd omgeven was heilig voor hem. Maar wat hij daarover zei was aanleiding tot nadenken, te meer daar hij door zijn persoonlijkheid illustreerde hoe hij het leven in een religieuze gemeenschap opvatte.
Het schoonste aan hem vind ik – nu we al weer In paar maanden van zijn. Dood afstaan – de wijze waarop hij zijn oude dag beleefde. De dingen die hem natuurlijkerwijze lief geweest moeten zijn had hij langzamerhand prijs moeten geven.
Een zwak hart dwong hem zijn tempo te matigen; zelfs zijn meesterschap op de schrijfmachine heeft hij vrij veel jaren niet meer kunnen uitoefenen. Ik heb zelf ondervonden dat hij een kopieeropdracht waar haast bij was, met bereidwilligheid had aanvaard, maar het werk met grote spijt moest staken omdat de gespannen aandacht hem te nerveus maakte.
Z’ n voeten begonnen de dienst te weigeren en veroorzaakten hem veel pijn, zodat, hij zich moest gaan beperken tot de kleine wandelingen van het ene vertrek naar het andere. Het gezichtsvermogen verminderde, en op het allerlaatste kon ook een vergrootglas hem niet meer helpen. Dat betekende onder andere dat zijn brevier voor hem onleesbaar werd, maar hij bleef het koorgebed meeleven door zijn bijna,onbeweeglijke aanwezigheid.
Hoe hij deze schijnbare neergang onderging heeft hij ons niet verteld, maar het lijkt niet vermetel ernaar te raden. Zijn zwijgen over deze dingen en zijn gewoon-doen tot het einde, zonder in iets de aandacht te trekken,waren op zich zelf welsprekend. Dat hij de indruk wekte een grote vrede te bezitten, zal hij zelf wel niet geweten hebben, maar aan tafel,bij de koffie; en in de kapel, waar hij gewoonlijk mijn buurman was, had ik iedere dag gelegenheid die impressie te ondergaan, zonder hem daarvoor te moeten observeren.
“Heeft het beetje dood dat er ligt tussen toen en nu eigenlijk wel iets veranderd voor ons”, zo heb ik ooit gelezen in een boek dat ik mooi vond. Het ging over het sterven van een vrome vrouw, en ik moet de tekst uit het geheugen aanhalen. Hij komt me in de geest nu ik schrijf over Broeder Hilarius: ik geloof dat de toepassing van dat woord op de verhouding van de overledene tot de broeders van onze congregatie niet al te gewaagd genoemd hoeft te worden.
Br. Clemens