186 Br. Augustinus – Pieter M. van den Kerkhof
Geboren te Rijpwetering : 26-08-1897
Ingetreden : 03-01-1925
Eerste professie : 16-08-1926
Grote Professie : 17-08-1929
Overleden te Breda : 22-03-1977
Op dinsdagochtend vroeg, om klokslag 8, overleed Br. Augustinus in het Sint Laurentiusziekenhuis te Breda. Hij haalde op het nippertje net niet de leeftijd die de psalmist de krachtigen had toegedacht: hij werd 79 jaar.
Van deze broeder een korte levensloop te schetsen is geen sinecure. Het zou betekenen dat men zeer selectief moet gaan werken, hetgeen de volledigheid en de aantrekkelijkheid zeer tekort zou doen.
Het leven van Br. Augustinus laat zich beschrijven en lezen als een roman. Het zou wel een roman worden die mogelijk bij die curieleden in Rome, die belast zijn met het censureren van boeken en het op de index plaatsen van boeken die niet meer door de beugel kunnen, min of meer twijfels zou doen ontstaan over het al of niet verbieden van dit boek voor Rooms-katholieken. Er zitten aan deze roman duidelijk religieuze tinten, maar ook vallen herhaaldelijk wat meer frivole alineas op.
Wanneer we een terugblik over dit voltooide leven schrijven zullen we een compromis moeten sluiten. We kunnen geen roman schrijven in dit kader, maar Br. Augustinus was een te uitgesproken religieus en een te veel levensblije mens, dat we aan deze aspecten onmogelijk al te oppervlakkig voorbij kunnen gaan.
Verwacht geen volledigheid van mij dus, en mochten er broeders zijn die het beeld dat ik van Br. Augustinus poog te schilderen, kunnen aanvullen, laten zij dan niet aarzelen dit te doen.
In de Zuidhollandse poldergemeente Rijpwetering zag in het gezin Van den Kerkhof – Zoetemelk op 26 augustus van het jaar 1897 Pieter het levenslicht. Hij groeide daar in de wijde polder op en verschafte zijn ouders zowel vreugdevolle alsook droevige dagen. Dit laatste niet alleen door de traditionele kinderziektes! Later vertelde Br. Augustinus nogal eens openhartig dat hij zijn lieve moeder het nogal eens lastig maakte! Groter geworden bezocht Pieter, naast de kerk en de school, ook het café, de ijsbaan, het zangkoor, het voetbalveld (hoewel niet als voetballer!) en – als we hem mogen geloven – ook de plaatselijke schonen van het dorp en omgeving. We zien hier een duidelijke overeenkomst met een heilige die hij later tot zijn patroon zou kiezen: de H. Augustinus. Toeval ?
Meer voorbestemming, denk ik.
Na de vele mogelijkheden van het wereldse leven te hebben verkend, besloot Pieter dat dit toch je ware niet was. En toen kwam het moment dat hij aandacht kreeg voor iets anders. Over dit moment vertelde Augustinus altijd graag met stemverheffing en brede gebaren, die het belang van deze gebeurtenis zeer aanschouwelijk maakte: “Niet ik riep Hem, maar Hij riep mij!” En dit verklaarde voor Br. Augustinus, zijn aanwezigheid in het klooster meer dan afdoende. Sommige huisgenoten vroegen zich op momenten dat hij deze beknopte roepingsgeschiedenis combineerde met wat meer profane, om niet te zeggen frivole uitspraken of daden, of hij op dat moment al niet wat moeite had met zijn gehoor.
Want Augustinus – doorgaans alleen maar kortweg Guus genoemd: – kon vaak over “het volle leven” vertellen, alsof hij het allemaal zelf had meegemaakt en hij er,slechts node afstand van had gedaan.
Bekijken we op dit moment zijn staat van dienst als actieve religieus, dan hebben we eens te meer reden tot verbazing! Zelfs wanneer we rekening houden met het feit dat Augustinus ruim 50 jaar broeder van Huijbergen is geweest, dat zijn kloosterleven grotendeels viel in die periode waarin het de gewoonte was de broeders jaarlijks op 15 augustus op te schrikken met een imposante lijst verplaatsingen en hij geen vaste baan had omdat hij geen specifieke opleiding had genoten, dan is de lange lijst van bediening nog een merkwaardigheid. Zijn werkzaamheden begonnen bij zijn intrede op 3 januari 1925. Deze waren van huiselijke aard. In die werkzaamheden was het zwaaien met dweil en stofdoek ruimschoots een plaats toegemeten.
Op 8 januari 1930 verhuisde Augustinus naar het Simt Willibrordushuis “het gesticht”, zoals hij dat vaak noemde – en werd daar voor de tijd van 2 jaar portier en 2e surveillant.
6 Januari” 1932 zien we hem terug in Huijbergen, alwaar hij de zorg voor de lingerie kreeg opgedragen. Dat zat dus wel “goed”; nu kon hij de lakens uitdelen, iets wat hij nooit meer goed heeft kunnen afleren.
Blijkpaar vond zijn overheid dat hij te graag de lakens uitdeelde, want 7 maanden later zien we Guus weer terug in het Willibrordus “gesticht” in Breda: nu als surveillant en ziekenbroeder. Dus ook weer lakens uitdelen, ,alleen op een wat stoffelijkere manier. Deze bediening heeft hij 2 jaar – zeer waarschijnlijk trouw en stipt uitgevoerd.
In augustus 1934 wordt hij naar de Karrestraat gestuurd voor de huiselijke werkzaamheden. Hij bleef dus in Breda, dat wel.
Mogelijk was Augustinus op dit werkterrein een gewilde kracht, want in mei 1935 zien we dat hij deze activiteiten ook in het Jeugdcentrum in Ginneken, een voorstad van Breda, uitoefent.
Maar ja hij is alweer zolang weg uit het Willibrordushuis, dus kom,in augustus 1936 gaat hij maar weer eens daar heen, nu als surveillant. Deze functie schijnt hij daar zeer bevredigend te hebben uitgeoefend, want hij mag er zo waar 5 jaar mee doorgaan.
In augustus 1941 vertrekt hij dan eindelijk weer eens naar Huijbergen. Hij wordt er surveillant in het weeshuis. Mogelijk is dit zijn meest glorieuze tijd geweest. Hij praatte altijd graag over die tijd, waarbij hij vooral de aandacht vestigde op het feit dat hij vele weesjes in “bad gehad” had. En daar schijnen kinderen bij geweest te zijn, die het later in de maatschappij ver hebben gebracht. De term “die heb ik “nog in bad gehad” duidt in ieder geval op een relatie tussen badmeester en badgast, een relatie die tot een soort uitverkiezing werd getransformeerd. Maar ja, we zitten al lang en breed in de oorlogstijd en dat liet ook in de loopbaan van Augustinus sporen na.
In november 1941 treffen we hem als evacué in Bergen op Zoom aan en ruim een jaar later weer als evacué, in Leur. Uit dit en een later verblijf in Leur danken we zijn uitlating dat hij “jarenlang te-Leur-gesteld is geweest”. Een woordspeling waar vele argelozen ingetuind zijn.
De eerste “te-Leur-stelling” eindigde doordat hij in december 1941 als surveillant in Oosterhout werd ontboden. De “te-Leur-stelling” duurde maar 9 dagen! In ,Oosterhout duurde zijn dienstverband echter maar 5 maanden.
Had het toenmalige Hoofdbestuur weet of een vermoeden van de enorme schooicapaciteiten van Br. Augustinus? In ieder geval zien we hem in april 1942 aan een niew glorieus tijdperk beginnen: de schooi of te wel bedelmonniktijd. wederom in Leur.
De resultaten van zijn “voedselvoorzieningactiviteiten” waren blijkbaar van dergelijke grootte dat hij het voor de hele verdere duur van de oorlog mocht blijven doen. Mogelijkerwijs heeft Guus uit deze periode van 3 jaar twee karakteristieke kwaliteiten overgehouden:
a. het straatflairen
b. het schooien
a. Onder straatflairen dient te worden verstaan: het zich op straat voortbewegen,zonder dat het duidelijk aanwijsbaar ten goede komt aan het geestelijk of lichamelijk welzijn van de persoon in kwestie of de gemeenschap waartoe hij behoort.
b. Het schooien heeft hij sindsdien nooit meer kunnen laten. Fabrieken, bedrijven en andere wereldse instellingen werden frequent door hem bezocht, met het oogmerk spulletjes los te krijgen voor de kinderen of voor de broeders in, de missie..
Hoewel het schooien op zich tot de laakbare activiteiten gerekend moet worden mag in dit geval “vergoeilijkend worden opgemerkt dat het hier ging om het weldoen aan anderen. Talrijk zijn de missionerenden die s avonds een kaartje leggen met kaarten die Guus “georganiseerd” heeft en met balpennen van deze of gene fabriek die punten noteren op bloknootjes die weer ergens anders zijn losgepraat. En nog meer materiaal is over de halve wereld verspreid door de on .
vermoeide strooptochten van Guus. Begrijpelijk, dat er na een zo losbandig bestaan een tijd van inkeer en heroriëntering moest volgen.
In augustus 1945 wordt hij in Huijbergen portier op Alverno. En dat voor 2 jaar. De grote stad Breda mocht hem weer binnen haar muren ontvangen. Het klooster in de Karrestraat kreeg hem voor de huishoudelijke werkzaamheden.
Na 2 jaar zat er danige promotie voor Augustinus in de koker van het hoofdbestuur. Hij mag naar de “Grote West-Europese Kweekschool om daar als ziekenbroeder het lichamelijk welzijn van zijn medebroeders te behartigen. Omdat er niet altijd zieken zijn, kreeg hij het portierschap er ook nog bij. Het schijnt dat hij daar goed beviel. Hij mocht er 4 jaar blijven en dat is voor zijn doen lang. Maar in 1953 moest hij toch maar weer op het grote, nieuwe Ste. Marie in Huijbergen de deur open doen voor wie er aanbelde. Naar terwijl hij daar deur open en deur dicht deed;, werd er in Breda een nieuw klooster weggezet: het Sint Jansklooster.
En dat zou zijn nieuwe thuis worden, en zijn laatste.
In mei 1954 betrekt hij de nieuwbouw en wordt tevens surveillant op het semi-internaat van de Sint Jansschool, een school voor moeilijk lerende kinderen. Dit werk heeft hij met hart en ziel, met liefde en plezier gedaan. Negen jaar lang een record-tijd voor hem. Hij was 57 toen hij er aan begon en hij stopte er mee toen hij de pensioensleeftijd al overschreden had. In die 9 jaar is hij een begrip geworden voor de omgeving van het Sint Jansklooster. Iedereen in de buurt kende hem als de broeder van de kinderen. Van iemand kreeg hij zelfs de bijnaam “Broeder Kind”.
In het klooster werd hij ook wel eens als “De kunstmoeder” betiteld, omdat hij tegelijk vader en moeder van de groep internen was.
Na deze periode ging Augustinus met verdiend emeritaat. We zijn ondertussen in 1963 aangeland. Overigens moet onder “emeritaat” niet verstaan worden: in een stoel zitten en niets doen! Hij deed in die 14 jaar “rust” net zoveel als in de voorgaande jaren van activiteiten en hij was minstens net zo vaak buitenshuis als toen. Op weg naar familie, naar kennissen, zwemmen, brommen, kaarten, schooien, bruiloften en begrafenissen bijwonen. Kortom, nog steeds het volle leven.
Pas de laatste 2, 3 jaren moest hij noodgedwongen wat kalmer aan gaan doen. En dat is voor deze actieve, in alles wat er voorviel belang stellende mens, een groot kruis geweest. Hij heeft meermalen in het ziekenhuis gelegen: voor verkeersongelukjes, observatie, galoperatie en telkens” kwam hij weer ontembaar terug. Toch begon het laatste jaar duidelijk te worden dat hij niet meer de oude, onverwoestbare Guus was. Hij behield zijn opgewekte, plaaggrage karakter, maar er waren momenten bij dat je kon zien, dat het hem niet zo goed meer ging.
En toen hij in augustus 1976 zijn gouden Professiefeest vierde (of zoals het in het Stadsblad stond: “Gouden Priesterjubileum”, was hij er zelf van overtuigd dat hij een mijlpaal had bereikt en tevens een eindpunt. Daarna ging hij steeds meer klagen over maagpijn en vermoeidheid. Hij drong zelf aan op opname in het ziekenhuis en wilde perse geopereerd worden, hoewel zowel zijn huisarts als de specialist het hem – met het oog op zijn leeftijd en conditie – ontraadden.
Maar Augustinus zette door – ook een karakteristieke eigenschap van hem – en hij werd geopereerd aan wat de chirurg noemde “een flinke maag zweer”. De operatie was op maandag, 14 maart en deze verliep gunstig. De week na de operatie was Augustinus wel zwak en suffig, toch in vrij goede conditie en iedereen hoopte dat hij nog een tijdje mee zou kunnen.
Totdat in de vroege morgen van dinsdag, 22 maart het snel naderend einde zich aankondigde. Om half zes werd naar het Sint Jansklooster gebeld, om 6 uur waren Br. Herman-Jozef en ondergetekende op zijn kamer. Augustinus was toen al niet meer bij kennis en het zag er naar uit dat het niet lang meer zou gaan duren.
Om 8 uur precies stierf:hij rustig zonder angst of pijn. Ik was op dat moment alleen bij hem en ik was onder de indruk van zijn rustig heengaan. Zoals hij zo vaak zei, zou zijn moeder hem aan de hemelpoort staan op te wachten. Hij kan nu weten of het inderdaad zo was.
Met Br. Augustinus ging weer een van die typische, zo langzamerhand zeldzaam wordende uitgesproken Huijbergse Broeders van ons heen. Groot in hun eenvoud, toewijding, godsvrucht, geloof en aanhankelijkheid aan de Congregatie.
Augustinus was bij zijn leven al een begrip! Nu hij dood is, zal hij dit waarschijnlijk nog meer worden. Dit is geen broeder om te vergeten. Hij zal onder ons voortleven in zijn voorbeeld dat voor ons een inspiratie moet zijn en in de vele anekdotes en typische uitspraken die hij deed ontstaan of die hij zelf poneerde.
Zonder andere broeders tekort te willen doen, moet van hem zeker worden gezegd, dat hij het waard is om in onze herinnering voort te leven. Als we mensen als hij vergeten, hebben we geen bestaansrecht meer.
24 maart 1977.
Br. Th. Eijkhoudt.