IM196 Br. Romualdus Buijnsters

196 Br. Romualdus Buijnsters

Geboren te Princenhage : 12-06-1902
Ingetreden : 02-09-1922
Eerste Professie : 30-03-1924
Eeuwige Professie : 17-04-1927
Overleden te Bergen op Zoom : 25-04-1979

“ALS GIJ NIET WORDT ALS KINDEREN, ZULT GIJ HET RIJK DER HEMELEN NIET BINNENGAAN”.
In september 1974 toog ik naar Bergen op Zoom om me daar bij de gemeenschap aan te sluiten. Mijn eerste werk was de volgende dag eens op verkenning uit te gaan. Zo kwam ik ook bij Br. Romualdus. Wat ik daar zag was niet veel. Maar in een gesprek met hem, deed hij me verwonderd staan. Hij was zeer tevreden met wat hij had. Zijn kamertje was echt niet veel. Maar één ding had het: er was een raam dat hem een mooi uitzicht gaf. Uren heeft hij daar doorgebracht, alleen maar te zitten voor het raam om zo te kunnen zien wat er zoal op straat gebeurde. Veel was hij niet meer op de kleermakerij. We hadden geen togen meer; dus nieuwe maken of keren was er niet meer bij. De laatste tijd bestond zijn werk nog alleen maar in het knopen aanzetten, nieuw goed nummeren en eens een broek opstrijken. Ook deed hij nog wel eens verstelwerk voor de Familie Ketelaar. Lang heeft hij voor deze familie zorg gedragen.

Toen hij niet meer kon, bleek hun dankbaarheid. Er was veel contact met de familie. Geregeld kwamen ze hem opzoeken en hij van zijn kant ging ook. bij hen op bezoek. Dit was voor hem een echt apostolaatwerk. Hij was een groot dierenliefhebber. Op zijn kamer had hij vogeltjes en later ook een schildpadje in een waterbassin. Maar zijn grootste liefde ging uit naar zijn hond. Veel mensen in de stad kenden hem als “de Broeder met het hondje”. Dat bleek bv. toen we in het ziekenhuis waren. We spraken daar met twee mensen en toen zei ik, dat dat de broeder met de hond was en ze herkenden hem. Voor de hond was het beste niet goed genoeg. Als we al eens een opmerking maakten, dat de hond te veel voedsel kreeg, was steeds zijn antwoord: “Jij eet toch ook graag lekker”.

Op 25 april, woensdagavond, heeft Br. Romualdus ons verlaten. Gezeten in zijn stoel in de praathoek, kijkend nog even naar de T.V. ontsliep hij na enkele minuten. Ofschoon we wisten dat Br. Romualdus leed aan een ongeneeslijke kwaal, kwam het einde nog onverwachts.
Br. Romualdus hield zich de laatste tijd zeer rustig. Toch was hij altijd in de weer. Kleine werkjes pakte hij aan. Zo zorgde hij er voor, dat de kok al direct kon beginnen met de afwas tijdens het eten. Vlak voor het einde van de maaltijd haalde hij schalen op en zette ze voor de kok klaar voor het doorgeefluikje. Op het laatst ging ook dit niet meer. Zelf zei hij eens: “Ik ben nu veel kalmer dan vroeger. Ik ben niet zo gauw meer driftig”.

Het moet hem meegegeven worden, dat hij zijn plichten in alles goed nakwam. In de kapel was hij altijd nummer één, zowel s morgens als s avonds. Voor dit voorbeeld zijn we hem zeer dankbaar. Ofschoon hij de laatste tijd wel erg doof was, maakte hij toch graag een praatje. Jammer genoeg moest hij dan wel eens zeggen: “Ik versta er niets van”.
Zijn laatste wandelingen waren in de gang. Daar liep hij op en neer steeds tastend naar zijn hart. Br. Romualdus, we zullen U ons altijd blijven herinneren als een echte Broeder van Huijbergen. God geve hem de eeuwige rust.
Br. Jeroen.

Er zijn van die mensen, die aanstonds op ons indruk maken. Ze zijn stoer van lichaamsbouw, hun stem is welluidend en sonoor, de gelaatstrekken zijn zo, dat men ze zonnig zou kunnen noemen en hun optreden ziet men als hoffelijk. Het zou wel ietwat gevaarlijk zijn om te beweren, dat onze goede Romualdus met deze gaven mild bedeeld is geweest.
Hij had zijn postuur niet mee, noch zijn stemgeluid, of veel andere dingen, die meteen inspireren tot een Zonnelied. Ik weet niet of dit de aanleiding is geweest, dat het verhaal met en spoormandje uit zijn jonge jaren daardoor plots is afgebroken, maar daar zal toch net als bij alle roeping ook wel bijgekomen zijn het verhaal van de rijke jongeman uit het Evangelie, die hem ineens, heel onverwacht voor die hem kenden, een retour in belangstelling deed kiezen, zodat hij in Huijbergen terecht kwam en broeder werd. Ook in het leven van een broeder kan veel of weinig variatie zijn. Er zijn er die een groot aantal succursalen hebben bewoond en dan. soms nog meer dan eens hetzelfde huis, verschillende bedieningen hebben gehad en met heel veel mensen van buiten relaties hadden. Romualdus kan niet gepronkt hebben met een aantal aktes, zich niet beroemen op leerlingen, die het ver gebracht hebben en de lokalen en ateliers, die hij als werkruimte kreeg, muntten niet uit door sierlijke, artistieke aantrekkelijkheid.
Hij heeft zowat heel zijn leven het kleermakersvak beoefend op een oude kleerzaal, tot de oorlog in Huijbergen en na de oorlog in Bergen op Zoom op een zolder, waar hij langs een klein houten trapje naar boven stoefelde. Is dat nu alles van Romualdus ?

Als een broeder zich verdienstelijk dient te maken voor de evenmens, dan kan van hem gezegd worden, dat hij zolang hij maar enigszins kon, gewerkt heeft voor zijn medebroeders.
Togen maken kon hij en het aantal witte togen voor onze missionarissen dat hij in razend tempo vaak heeft gefabriceerd, is niet te tellen. Als hij dan met Br. Majella de vele rozenhoedjes bad, als hij met de bal naar zijn smoezig hondje gooide, dat beter keepte dan sommigen van zijn geliefde NAC-ers, stond hij ook nog onmiddellijk klaar om wie er om vroeg zijn weelderige of meer schamele haardos bij te werken.

In de recreatie was hij niet een man, die zich op de voorgrond wist te plaatsen met geweldig interessante verhalen, maar hij leefde wel mee met alles wat in huis, of in de Congregatie voorviel en zijn geboortestad lag hem na aan het hart. Was het niet onder de oorlog, dat hij net zijn korte pasjes de vele kilometers aflegde om te komen kijken hoe het met zijn familie en met de oude vertrouwde omgeving gesteld was? Hij liep niet te koop met zijn vroomheid, maar was wel altijd voor zover ik me herinner op tijd in alle oefeningen, was oprecht in zijn spreken met de oprechtheid van een Bredase jongen en was steeds bereid overal zijn diensten aan te bieden zonder zich op te dringen. Hoge eisen stelde hij niet. Toen hij eens flink ziek was – al zo een goede dertig jaar geleden – lag hij in zijn klein kamertje in zijn klein ledikantje en had er schrik van om naar de grote ziekenzaal te gaan, zodat men hem op moest pakken en op de arm naar beneden moest dragen. Nou, zo een vracht was het niet !

Toen hij de laatste jaren het werk heeft moeten opgeven, heeft hij als een kleine Samaritaan zijn best gedaan om oude mensen te helpen zo goed als hij nog kon en die bezorgden hem misschien nog meer vreugde dan hij van ons ondervonden had. We mogen vertrouwen, dat zijn kaart ook bij Petrus in de kartotheek staat en … mag meelopen met de muziek, zoals in zijn jonge tijd.
St.