IM206 Br. Vincentius Adrianus Martinus van den Boomen

206 Br. Vincentius Adrianus Martinus van den Boomen.

Geboren te Geldrop : 01-02-1892
Ingetreden : 22-10-1910
Eerste Professie : 21-12-1911
Eeuwige Professie : 01-01-1916
Overleden te Huijbergen : 19-08-1981

Als ik wil trachten enkele feiten te noteren die in het “In Memoriam” van Br. Vincentius onder de aandacht gebracht moeten worden, komen me onweerstaanbaar enkele woorden in de geest, die ik hier – zonder enig onderling verband – noteer.
Het zijn : Surveillant: – streng – doof – S.A.B – schilder – ziekenhuis – regel.
Dit zijn even zovele begrippen, die onverbrekelijk met de overledene verbonden zijn, en ik geloof dat ze, hem beter kunnen karakteriseren dan welke opsomming van zijn levensfuncties ook.

SURVEILLANT.
Br. Vincentius surveilleerde niet zonder meer bij de externen van de Kweekschool, maar hij was surveillant in hart en nieren, in doen en laten, hij straalde het uit en hij was het zelfs nog in zijn laatste levensjaren toen hij niet meer op de Kweek woonde: bij de uitgang van de Lambertus Mavo was hij present lang voor de elektrische zoemer het sein voor de algemene uittocht gaf, en met dwingende ogen verhinderde hij de leerlingen met de fiets over het trottoir van het Broederhuis te rijden. Ja, streng was hij ! Zijn uiterlijk was streng: grote, donkere ogen, doorgroefd en tanig gezicht, scherp getekende mond, lang postuur en rechte houding. Ongetwijfeld leek hij streng voor anderen en blijkbaar had de jeugd daar respect voor.

Intussen was hij toch voornamelijk streng voor zichzelf en gunde hij zich maar weinig ontspanning. Wat niet wegnam, dat iedereen die door deze uitwendige verschijningsvorm heen kon kijken, spoedig overtuigd was van zijn goed, vriendelijk, opgewekt en blijmoedig hart. Zijn doofheid zal hem dikwijls gehinderd hebben. Hij liet dit echter nooit merken en ik geloof niet dat hij door deze kwaal veel geleden heeft van eenzaamheid of teruggetrokkenheid, omdat hij zoveel mogelijk met alles en allen trachtte mee te leven: hij had er zelfs bijzonder veel plezier in om het middelpunt van het gezelschap te zijn.

Zeer terecht is zowel op zijn bidprentje als tijdens de gemeenschappelijke viering van onze kloosterjubilea het feit gememoreerd, dat hij de laatste tijd van zijn leven met verlangen had uitgezien naar de viering van zijn 70-jarig kloosterfeest. We vinden het erg jammer, dat hij deze schone dag niet meer heeft mogen beleven, maar we zijn ervan overtuigd dat hij er veel “voorpret” van genoten heeft.

Hij was S.A.B !
Mogelijk niet zo zeer met lijf en leden, maar destemeer met hart en geest. Hij bleef dit, ook nog toen hij de veldverrichtingen van zijn dierbare voetbalclub niet meer met zijn belangstellende aanwezigheid kon stimuleren. Er is hardnekkig geloof geschonken aan de veronderstelling dat hij – hoewel de zorg voor zijn gezondheid hem op een bepaald moment naar Huijbergen riep – tóch in Breda bleef, omdat het S.A.B.-bestuur hem nog niet kon missen.

Hij heeft geschilderd op de Kweekschool. Neen, hij was schilder, zelfs toen een noodlottig ongeval hem het gebruik van beide handen onmogelijk maakte. En in het ziekenhuis was hij lange tijd een vaste gast. Hij heeft er veel uitgestaan van pijnlijke operaties en lastige behandelingen. Mogelijk nog meer van het deprimerende bewustzijn dat hij fysiek onmachtig was om zichzelf te helpen en daardoor anderen tot last kon zijn. Maar vooral toonde hij zijn dankbaarheid voor de goede zorgen waarmee velen hem omringen – en hij kon vergenoegd genieten van de bezoeken van familieleden, vrienden en medebroeders, ondanks het feit dat zijn doofheid een normaal gesprek praktisch onmogelijk maakte. Maar zijn ogen twinkelden en zijn gezicht plooide zich tot vriendelijke lach, ondanks de met moeite onderdrukte pijn.

Hij was ook de regel.
Deze stond in zijn hart geschreven. Hij heeft nooit geklaagd over “veranderingen”, maar het moet toch een zware opgave voor hem geweest zijn, deze con amore te volgen.
Maar hij deed het, hij volgde – althans uiterlijk – terwijl hij inwendig en op zichzelf teruggetrokken de oude regel zoveel mogelijk bleef beleven. Een waar voorbeeld van een echte Huijbergse Broeder, niet zozeer misschien door wat hij deed, maar door de manier waarop hij het deed: door wat hij was.

We zijn er hem dankbaar voor.
Hij zal thans genieten van een heerlijk en onbezorgd leven, dat de vrucht is van het feit, dat hij zich in zijn lange aardse pelgrimstocht volgens diep religieuze overtuiging en in vrome, blijde gelijkmoedigheid en opgewektheid zoveel heeft ontzegd.
Br. Marcellus.