208 Br. Benitius Johannes Hendrikus Jozef Roosen
Geboren te Baarle-Nassau : 21-03-1908
Ingetreden : 16-01-1927
Eerste Professie : 18-08-1929
Eeuwige Professie : 18-08-1931
Overleden te Breda : 30-12-1981
“Hij had het leven lief……..”
Bij het opstellen van het curriculum vitae van Br. Benitius loopt men het risico onvolledig te zijn. Zijn vader was douane-ambtenaar en aan dit ambt zijn regelmatig verhuizingen verbonden. Het wordt dan een moeilijkheid na te gaan waar en wanneer precies Br. Benitius allemaal heeft gewoond en het is een nog zwaardere opgave vast te stellen welke omgevingen mogelijk hun stempel op zijn aard vorming en gedrag hebben gedrukt.
In elk geval is hij in 1908 als Johannes; Hendrikus, Jozef geboren te Baarle-Nassau. Hij werd Harry genoemd. Vader had zijn werk aan de grens, maar spoedig moest hij verhuizen naar Rotterdam. Hier volgde Harry de lagere school. Ik kan bepaald niet zeggen, dat zijn manier van doen en laten later -Rotterdamse kenmerken droeg – mogelijk heeft hij er de belangstelling voor het wijde, de ruimte uit overgehouden: bekrompenheid was hem vreemd.
Het gezin Roosen vertrok vervolgens naar Zeeuws-Vlaanderen en ging wonen in IJzendijke, grenskantoor Veldzicht. De meesten van ons zullen Benitius als “Zeeuw” doodverven en zijn eerlijke rondborstigheid versterkt deze mening. Om zijn ontwikkeling veilig te stellen plaatste vader hem op kostschool te Huijbergen. Uiteindelijk kwam hij daar bij de Kwekelingen terecht, de eerste stap op de weg die naar het religieuze leven leidt.
Van Huijbergen ging hij naar onze Kweekschool in Breda. Waarschijnlijk zwaar gehinderd door zijn voortdurende hoofdpijn – welke kwaal hij heel zijn leven lang heeft meegedragen – was de studie voor het onderwijzerschap een te zware opgave. Maar er demonstreerden zich andere kwaliteiten: hij behaalde zijn tekenakte, handenarbeid, MO-schrijven en gewapend met deze brevetten werd hij – na enige tijd in Huijbergen werkzaam te zijn geweest – de “tekenbroeder” van onze Amsterdamse scholen. Hij wist zich bovendien nog in machineschrijven en steno te bekwamen.
Ik haast me om hier te vermelden, dat de Roosens intussen naar Zuid-Limburg waren verhuisd: zij gingen wonen in Hoog Cruts, gemeente Noorbeek bij Achterbosch. Hoewel hij hier enkel zijn vakanties heeft doorgebracht, maak ik me sterk dat deze omgeving Br. Benitius het meest heeft beïnvloed. Ik geloof, dat hij daaraan zijn zonnig en opgeruimd karakter te danken heeft.
Zijn boven vermeld diploma-bezit had tot gevolg, dat hij in 1950 naar de Kweekschool in Breda werd overgeplaatst, waar hij tot 1972 als docent werkzaam zou zijn. Maar zijn aktiviteit bleef er niet tot lesgeven beperkt. Spoedig zat hij in de organisatie “Grote Schrijvers” en werd hij examinator in het vak handenarbeid. Hij legde diverse interessante kontakten met vooraanstaande personen in deze wereld, waarin hij zeer actief was en waar men zijn aanwezigheid en invloed ten zeerste waardeerde. Zo heeft hij een respectabele staat van dienst opgebouwd. Hij maakte zich bij velen bemind en onmisbaar, was tolerabel en breed in zijn oordeelvellingen en in zijn opvattingen kon men hem ruimdenkend en progressief noemen. Dit laatste was hij beslist niet op religieus terrein.
Hij heeft me eens – toen hij al non-actief was – om geestelijke lectuur gevraagd “waar hij wat aan zou hebben”. Ik gaf hem toen Grollenbergs “Jezus, weg naar hoopvol samen leven” te lezen, maar dit boekje gaf hij me – half gelezen – spoedig terug dat was te modern, hij hield zich liever aan “het oude” en probeerde zich op zijn eigen manier aan de gemeenschap verdienstelijk te maken.
En dat deed hij consequent. Juist daarom was hij zo blij, op latere leeftijd in contact te zijn gekomen met de organisatie “El Progreso die zich inzet voor hulp aan onderontwikkelde gebieden waaraan ze doelmatige hulp trachten te verlenen. Deze aktiviteit heeft zijn pensioengerechtigde leeftijd gevuld en getekend, hiervoor kon hij zijn dienstbaarheid zinvol waar maken. Het was zijn troetelkind geworden en bij zijn Belgische vrienden voelde hij zich volkomen thuis. Het is dan ook tijdens zijn laatste levensmaanden een opluchting voor hem geweest, dat de Broeders van Tijdsat dit werk van hem hebben overgenomen.
De ziekte was gekomen…….
Wat moeten we er van zeggen? Hoe moeten we ze beschrijven? Wat is er allemaal in hem omgegaan? Een langzaam, onmerkbaar voortschrijdende aftakeling, waarbij van alles geprobeerd is om de funeste ontwikkeling tot staan te brengen.
Alle pogingen waren tevergeefs, hoewel ze het lijden verergerden. Hij heeft de cytostatica-behandeling ondergaan, voor hem een verschillende malen terugkerend torment – hij is geopereerd en daarna nog bestraald – maar het mocht niet baten. Dit verhaal horen we tegenwoordig verschillende malen – en het wekt de indruk van een hopeloos neerslachtige patiënt. Allerminst was het zodanig gesteld met Br. Benitius. Hij bleef opgewekt en humoristisch en koesterde nog vele plannen en plannetjes, terwijl hij oprecht genoot van de kleine vreugden die hij nog kon verwerken.
Hij bleef het leven liefhebben.
Intussen wist hij zelf al geruime tijd wat hem wachtte. De internist, Dr. Boëtius heeft hem reeds begin november zonder meer meegedeeld, dat een operatieve behandeling nodig maar niet mogelijk was. En de draagwijdte van deze uitslag heeft hij beseft en aanvaard. Zoals Br. Rumoldus het uitdrukte: “Hij draagt het formidabel – en dat vind ik groots.” Ook de ziekenzuster bewonderde zijn moed en kracht in het dragen van zijn levenssituatie, getuige haar oordeel: “Ik ben blij, deze man ontmoet te hebben.” In feite waren wij daar allemaal blij mee: hij was een dankbare zieke en hij voelde zich in ons midden volkomen op zijn gemak. De grootste dreiging bestond voor hem hierin, dat hij mogelijk tóch voor terminale verzorging nog naar het ziekenhuis zou moeten. Het blijft de grote verdienste .van onze ziekenzuster en van Br. Rumoldus dit door hun toegewijde en niet aflatende zorg te hebben weten voorkomen. Br.Benitius zal ze daar dankbaar voor blijven, evenals voor de vele bezoeken die zijn zus, vrienden, medebroeders en relaties hem hebben bracht. Het waren momenten van troost en opbeuring als hij het – vooral in de laatste weken – zwaar had. Maar mogen ook wij niet dankbaar zijn voor een zo voorbeeldig gedragen en, rustig voorgeleefd ziekbed? Het leven was -hem lief, hij was ons lief en dit zal niet ook al is het door zijn afsterven in verschijningsvorm veranderd. Het is vergeestelijkt, en daardoor onsterflijk geworden, maar niet minder reëel. Hij geniet nu zijn leven in volle teugen en dit kan hem niet meer ontnomen worden.
Br. Marcellus