IM209 Br. Romanus Johannes Petrus Reijnders

209 Br. Romanus Johannes Petrus Reijnders

Geboren te Fijnaart : 02-09-1910
Ingetreden : 10-09-1932
Eerste Professie : 19-03-1934
Eeuwige Professie : 19-03-1937
Overleden te Breda : 21-02-1982

Het is niet zo eenvoudig om in kort bestek een beeld te schetsen van het leven van Br. Romanus. Ik vermoed dat dit komt omdat er zich geen grote feiten in zijn leven hebben voorgedaan die onmiddellijk om vermelding vragen. Wanneer ik zijn persoonskaart raadpleeg, zie ik dat hij in ongeveer al onze conventen een tijdlang geleefd heeft. Als meest te verzorgen taak wordt “huiselijke werkzaamheden” opgegeven, een aktiviteit waarvan de annalen niet veel als van blijvende waarde vermelden. Toch eist hun verzorging een voortdurende attentie en toewijding, iets dat mogelijk wel eens al te gemakkelijk over het hoofd gezien wordt. Verder was hij: kok, portier, surveillant, ziekenverzorger – een hele reeks van werkzaamheden dus, die de voortdurende aktiviteit van de hele persoon vragen. Maar ze zijn niet direct imponerend te noemen.

Heel zijn leven heeft zich zo voortbewogen als een voortdurende stroom van werkzaamheden voor de verzorging van allerlei kleine en grotere behoeften van anderen.
De verzorging van al deze zaken heeft echter niet nagelaten een stempel op zijn persoonlijkheid te drukken, dat de moeite van het releveren wel degelijk waard is.
Hij was er door getekend:
hij was bezorgd en zorgzaam, hij had oog voor kleinigheden,
hij was gevoelig voor huiselijkheid en gezelligheid,
hij was ook attent voor kleine en grote noden van anderen, zowel van binnen als van buiten het klooster.
Hij was precieus, keurig verzorgd in kleding en voorkomen,
hij had goede smaak voor de inrichting en de stoffering van een interieur, hij hield van mooie dingen en bloemen, die hij deskundig en met toewijding verzorgde.
Het zijn allemaal eigenschappen die in een mannengemeenschap nu bepaald niet zo dik gezaaid zijn.

Mogelijk beschrijven ze wat al te eenzijdig de uiterlijke verschijningsvorm van de overledene.
Wanneer we dan trachten door de oppervlakte heen te kijken, moeten we vermelden dat hij praktisch voortdurend onder doktershanden is geweest. Allerlei kwalen hebben hem geteisterd en hielden zijn bezorgdheid en waakzaamheid voortdurend vast. Volgens sommigen mogelijk te veel, maar zijn we soms niet te lichtvaardig in onze beoordeling? Nog wat dieper doordringend ontmoeten we fijn gevoeligheid.

Vooral bij het overlijden van zijn familieleden (ouders, twee broers, schoonzuster) liet hij daarvan blijken. Hij moet enerzijds veel hebben weggeslikt: en zich anderzijds beklemd hebben gevoeld door de gang van zaken, die hij bij zijn naaste familie waarnemen en die hem als een voortdurende bedreiging van eigen gezondheid kon overkomen. Zou hem te wachten staan wat hij bij zijn familieleden zag gebeuren? Wij kunnen moeilijk beoordelen over welke zaken hij getobd heeft, maar ongetwijfeld zat hij er dikwijls over te piekeren.

De stap naar anderen die het ook moeilijk hadden was maar een kleine. We zien dan ook dat hij – vooral in zijn laatste levensjaren – zich heeft opgewerkt tot een welkome troost voor velen om hem heen die hulpbehoevend waren. Hij stond hen metterdaad bij en deed dat met liefde en deskundigheid. Ook in eigen broederkring was hij bezorgd, actief en behulpzaam als hij merkte dat anderen hulp nodig hadden. Speciale zorg wijdde hij aan behoeftigen en zieken van het Diaconessenhuis en het verpleeghuis Aeneas, waardoor hij zich voor velen tot vriend en raadsman heeft kunnen maken. Hij bezat het opmerkelijke en zeldzaam voorkomende vermogen om zieken aan te kunnen spreken en afgedwaalden op het rechte spoor te plaatsen.

Waar velen – geconfronteerd met het leed van anderen dikwijls met de mond vol tanden staan en slechts nietszeggende algemeenheden kunnen formuleren, wist hij instinctmatig de juiste en troostende woorden te vinden. Twijfel omtrent de toekomst was hem vreemd en deze zekerheid wist hij op anderen over te brengen. Hij was daarbij geen voorstander van ingewikkelde theologische beschouwingen, maar presenteerde zich zonder pose als eenvoudige, simpele, ouderwetse gelovige, die met overtuiging voor anderen de weg wees waarop hij zichzelf volkomen thuis voelde. Door zijn eigen zekerheid verdween de twijfel van zijn patiënten. In deze overtuiging herkent men zonder twijfel de levensinstelling, die hij van zijn godvruchtige moeder had geërfd en die door geen moderne geestelijke lectuur aan het wankelen gebracht kon worden. Hij hield daarbij vast aan de praktijk van de kinderlijk-gelovige overgave aan de. Maria devotie stak een kaars op als hij daar behoefte aan had en genoot oprecht van de Maria-heiligdommen, die hij op vakantie. in Lourdes of Fatima graag bezocht.

Zijn laatste levensjaren zijn wel gekenmerkt door voortdurende bezorgdheid voor eigen gezondheid en hij was zeer gevoelig voor een misgevallen woord van anderen. Hij voelde zich soms onbegrepen. Volgens sommigen was het overgevoeligheid.
Zijn afscheid van het leven is plotseling gekomen: in 24 uur had zich het hele drama afgespeeld en hij heeft de stap naar de eeuwigheid zonder lijden gezet. Nu zijn al zijn lichamelijke en geestelijke moeilijkheden weggesmolten als sneeuw door de verwarmende zon van Gods aanwezigheid.

Br. Marcellus.