IM218 Br. Bernardinus Petrus Charles Hendrik Vlugt

218 Br. Bernardinus Petrus Charles Hendrik Vlugt

Geboren te Amsterdam : 01-12-1927
Ingetreden : 27-01-1947
Eerste professie : 15-08-1948
Eeuwige professie : 15-08-1951
Overleden te Breda : 20-02-1983

“Br. Bernardinus is dood”. “ Nee”. “ Dat kán toch niet! Hij is pas 55. Hoe is dát nou mogelijk.
Ik kan het mij niet voorstellen. Ik kan het niet geloven.”
De relatie tussen Br. Bernardinus en “Leven” is zó sterk in onze verbeelding, dat ze niet zonder onze weerstand te verbreken is. Het opkomend gevoel verzet zich ertegen, deze relatie in haar tegenbeeld om te zetten. Tot zelfs na het lezen van de overlijdensadvertentie, soms met de krant nog in de hand, is er telefonisch naar geïnformeerd, of er geen vergissing in het spel was.
Dat waren de eerste reacties van medebroeders en bekenden op, of kort na de zondagmorgen – 20 februari -, toen we hem dood op zijn kamer aantroffen. Br. Rumoldus miste hem na het ontbijt. Hij ging naar zijn kamer en hoorde er de wekker aflopen. Er werd niet gereageerd, toen hij op zijn deur klopte, zodat hij genoodzaakt was deze te forceren. Br. Bernardinus scheen nog rustig te slapen, maar hij was reeds overleden.
De inmiddels opgeroepen dokter kon enkel constateren, dat hij enige uren geleden in zijn slaap gestorven was. Waarschijnlijk een hartaandoening. In elk geval een pijnloze dood zonder benauwdheden, gezien de vredige uitdrukking op zijn gezicht en de rustige lichaamshouding.
De veronderstelling lijkt, gewettigd, dat ook voor hem zelf het passeren van de levenslijn en de ontmoeting met de andere wereld een volkomen verrassing betekend zal hebben, net zo onverwachts als voor ons.

Hoe is dit allemaal mogelijk. We kunnen er geen zinnig woord over zeggen en komen automatisch terecht bij de grote mysteries van dood en leven. En dan past een nederig stilzwijgen. Hij was toch nooit ziek geweest!? Neen, het ziekenhuis kende hij slechts van buiten, voor zover hij er anderen naar toe bracht, en van binnen om bekenden op te zoeken, of om assistentie te verlenen bij de zondagsmis. Hij bracht trouw. Ons Heer naar de patiënten, een aktiviteit waarvoor alles moest wijken. Ze zullen hem daar missen maar niet daar alleen. Vooreerst laat hij een niet te vullen leegte achter in het convent. Hij was de jongste van onze gemeenschap, en je wist, wanneer hij thuis was. Druk en lawaaierig liep hij door de gangen, snelde hij over de trappen en liet er zijn stem schallen. Altijd was hij bedrijvig bezig en hij stond ook weer onmiddellijk klaar als hij elders verwacht werd.

De P.A. zal hem missen. Hij was de enige broeder die er nog als docent aan verbonden was. Actief eraan verbonden: van theoretische bespiegelingen, van lange vergaderingen of van verbale reacties moest hij niets hebben. Hij stak deze opvatting ook niet onder stoelen of banken en mogelijk was men het niet altijd met zijn luid verkondigde opvattingen eens,.maar zijn toegewijde en daadwerkelijke zorg voor leerlingen en voor het welzijn van de hele organisatie overtuigde iedereen van zijn goede bedoelingen. De herdenkingsbijeenkomst op 25 februari in de kapel van de Nieuwstraat getuigt van de waardering die men hem er toedraagt, Verschillende oud-leerlingen danken hem zijn daadwerkelijke en succesvolle steun bij hun sollicitaties. Zijn familie zal hem missen.
We denken dan allereerst aan zijn bejaarde moeder, die hij elke week ging bezoeken, Ook op 19 februari was hij daar nog. Hij heeft er enkele uren gezellig gesleten en is toen weer naar Breda teruggegaan. Voelde hij toen al iets? We weten het niet, maar hij ging wel vrij vroeg naar bed, omdat hij meende griep te hebben. Dat was. het enige.

Wat zal zijn broer Theo in Libanon hem missen! Elke week ging er deskundig en met toewijding verzorgde pakketten naar toe met levensmiddelen, kleding, medicijnen, kazuifels, literatuur, altaarbenodigdheden. Maar hij heeft het ook klaargespeeld om er een levensgrote luidklok naar toe te sturen en een complete set Röntgen-apparatuur, voor de verzorging van deze welkome gaven was hij in feite het hele jaar door onafgebroken in actie en hij spaarde voortdurend ook oud materiaal om op geregelde tijden een fancy fair te kunnen organiseren, waarvan de opbrengst weer gebruikt werd om behoeftigen van het Midden-Oosten te helpen. Hij had zelfs een soort hotline georganiseerd, waarbij zowel piloten van de K.L.M. als soldaten van het Unifil leger werden ingeschakeld om de stroom van artikelen, zelfs in de meest onrustige dagen, veilig bij zijn broer te laten arriveren. Dit zijn, verward genoteerd, enkele indrukken die me naar aanleiding van dit droeve gebeuren te binnen schieten. Moet er nog veel aan toegevoegd worden?

Slechts enkele gegevens:
J. Vanaf 1-9-1965 was hij docent aan de Kweekschool. Daarvoor vermeldt zijn persoonskaart onderwijzer van bijstand in Oosterhout en Breda, leraar ULO in Breda (1956-1963) en Amstelveen (1963-1965). Intussen heeft hij zich in de wiskunde bekwaamd, waarvoor hij akte-L.O., K I en M.O.-B behaalde. Hij heeft zich gespecialiseerd in rekenonderwijs en was daarvoor docent aan diverse opleidingscursussen van de P.A. Sint-Frans. Een imponerende staat van dienst. Maar zelf was hij daardoor allerminst geïmponeerd. Hij liet er zich. nooit op voorstaan en had ook niet de geringste behoefte er anderen door te imponeren.

Wel had hij in veel zaken en gevallen zijn eigen mening, die hij met volle overtuiging en in ronde bewoordingen vrijmoedig poneerde en waardoor hij bij een eerste ontmoeting sommigen mogelijk van zich afstootte. Maar wanneer men dan de mens achter deze beweringen kon ontdekken, was het ijs spoedig gebroken. Over zijn godsdienstige overtuiging liet hij zich nooit in brede bespiegelingen of wijdlopige beschouwingen uit. Hoewel hij wars was van theoretische complicaties, volgde hij de ontwikkelingen met interesse, terwijl hij ze volgens eigen opvattingen in praktijk bracht. Vooral begrippen als: “pluriformiteit” en “eigen verantwoordelijkheid” bleven de achtergrond vormen.
Vormelijkheid, traditie of conventie kregen geen voet aan de grond en met de hem eigen Amsterdamse humor kon hij soms spotten met ridicule vormen van devotionaliteit. Dat hij daarmee ook anderen kon hinderen, drong waarschijnlijk niet tot hem door. Vreemd genoeg hield hij vast aan z’n clergyman kostuum, een onverklaarbare voorkeur, waarbij pose of ijdelheid beslist geen rol speelde, gezien de nonchalante wijze waarmee hij zich er presenteerde.

Deze, mogelijk wat kritisch overkomende, opmerkingen vallen in het niet bij het feit dat hij de grondwet van ons geloof overtuigd en daadwerkelijk in praktijk bracht, nl. help je naaste en doe zoveel mogelijk goed aan anderen. Daarbij eigen behoeften of liefhebberijen vergetend: hij was echt arm, had hoegenaamd geen persoonlijke bezittingen. Dit in de letterlijke zin van het woord. We hebben alles moeten afzoeken om behoorlijke kleding te vinden waarmee de begrafenisondernemer hem in de kist kon leggen. Als dit even tot je doordringt, word je er stil van.

Zo is hij een voorbeeld geworden van persoonlijke armoedebeleving en daadwerkelijke beoefening van de naastenliefde. En zijn dit niet de pijlers waarop juist nu het religieuze leven gegrond moet zijn? In het voorleven van deze religieuze waarden is hij wonderwel geslaagd en daarvoor had hij geen langer leven nodig. We moeten hem dankbaar zijn, dat hij zo een duidelijk geprononceerd levensvoorbeeld gegeven heeft en het was niet nodig, dat hij langer moest wachten om de beloning daarvoor te mogen gaan genieten,
Br. Marcellus