226 Br. Renatus Petrus Martinus Verschuren
Geboren te Duisburg (D) : 16-08-1906
Ingetreden : 12-09-1925
Eerste professie : 18-08-1931
Eeuwige professie : 20-04-1930
Overleden te Huijbergen : 17-06-1984
We weten het allemaal; we hebben het al zo dikwijls gelezen of gehoord: de dood komt als een dief in de nacht. We moeten bereid zijn, want we kennen dag noch uur. Een jeugdige leeftijd of een krachtige constitutie vormen geen garantie, Alles is onzeker, op één ding na: ééns is de tijd daar. Het kernachtigst wordt dit misschien nog uitgedrukt door die wandspreuk in een Italiaanse kathedraal: “De dood is onsterfelijk; alle andere aardse zaken zijn vergankelijk.”
Het beloofde die 17e juni een mooie dag te worden. Na zoveel weken van somber weer scheen de zon, Br. Renatus maakte een kuiertje op het parkeerterrein van Ste.-Marie. Plotseling werd hij onwel. Binnen 20 minuten was alles gebeurd: het toedienen van het Sacrament der Zieken, de komst van de dokter, het constateren van de dood. Heel zijn leven, tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, heeft Br. Renatus in de Congregaties de functies van portier en/of ziekenverzorger vervuld. Na zijn intrede op 12 september 1925 werd hij portier en ziekenverzorger in Alverno. In 1936 ging hij die twee taken vervullen in het Kweekschoolsuccursaal te Breda en in 1947 in de Blauwehandstraat te Bergen op Zoom. Toen op 15 september 1951 het nieuwe Ste.-Marie geopend werd, kreeg hij de post van ziekenverzorger toegewezen. In deze periode liep hij ook stage in het ziekenhuis van de broeders van Johannes de Deo te s-Hertogenbosch. In 1953 ontving hij de aanstelling tot ziekenbroeder en tweede assistent in Alverno. In 1962 verhuisde hij weer naar het Kweekschoolsuccursaal om er portier en ziekenverzorger te zijn. Op 5 februari 1972 nam hij de zorg voor de kloosterbibliotheek van Ste.-Marie op zich.
Het doen en laten van Br. Renatus kenmerkte zich door correcte omgangsvormen, door een nauwgezette precisie, door een welbewust streven naar orde en netheid, door een zich uitsloven voor de zieke broeders en internen die aan zijn zorgen waren toevertrouwd. Die nauwgezetheid, die orde en netheid openbaarden zich ook tijdens zijn bibliothecarisschap. Hele dagen kon men hem bezig zien met het ordenen en nummeren van bibliotheekboeken, met het keurig uittikken van catalogi. Hij laat een netjes verzorgde en zeer uitgebreide kloosterbibliotheek na. Met eenzelfde ijver hield hij het foto-archief van de Congregatie bij, dat hij onderbracht in enkele tientallen fotoalbums. Zijn kenmerkendste trek echter vormde ongetwijfeld zijn Maria-verering.
Hoe hij die innerlijk beleefde, weten we niet. Het past ons trouwens om in dezen een zekere terughoudendheid te bewaren. Dat hij een Maria-verering bezat, dat weten we uit de manieren waarop die in zijn leven tot uiting kwam. Zo beschikte hij over een kleine verzameling Maria-boeken, waarin hij regelmatig las en waaruit hij putte om vrij vaak een artikel over een Maria-bedevaartplaats in “Leer en Leven” te publiceren. Hij verzamelde Maria-devotionalia, zoals rozenkransen, medailles, prentjes.
Het verzamelen van Maria-beeldjes schijnt hij evenwel als een soort levenswerk beschouwd te hebben. Hij reisde tientallen Maria-oorden in Nederland en België af om er een beeldje te bemachtigen. Hij is zodoende er in geslaagd, een prachtige, omvangrijke collectie Maria-beeldjes op te bouwen, die ontegenzeglijk van grote waarde is. De redactie van “Leer en Leven” betreurt het, in Br. Renatus een trouwe medewerker verloren te hebben.
Moge Maria zijn voorspreekster zijn voor Gods troon.