IM296 Br. Jan Johannes Nicolaas Henricus Bartels

296 Br. Jan Johannes Nicolaas Henricus Bartels

Geboren te Ginneken : 21-08-1932
Ingetreden : 08-02-1951
Eerste Professie : 15-08-1952
Eeuwige Professie : 15-08-1957
Overleden te Bergen op Zoom : 03-04-1998

“Ik verwacht de Heer, wacht met heel mijn ziel en ik hoop op zijn woord” Ps 130.
Jan werd geboren in Ginneken op 21 augustus 1932, als jongste van het gezin van 6 kinderen: 4 jongens en 2 meisjes, en kreeg van zijn ouders de namen Johannes Nicolaas Henricus. Hij groeide op in een warm gezin vol vitaliteit, met veel vrolijkheid naast een echte katholieke degelijkheid. Zijn leven lang voelde hij zich nauw verbonden met zijn familie, hij hield van hen en leefde met hen mee bij wel en wee.

Na de lagere school, die hij in Ulvenhout doorliep, is Jan enkele jaren als seminarist bij de Paters Passionisten in Haastrecht geweest. Op 8 februari 1951 doet hij zijn intrede bij de Broeders van Huijbergen en begint hij zijn postulaat te Lievensberg in Bergen op Zoom. Op 14 augustus 1951, bij de aanvang van het noviciaat, neemt hij de kloosternaam Evaristus aan. Deze naam draagt hij tot ongeveer 1965. Toen werd de keuze vrijgelaten om eventueel je doopnaam te dragen en zo wilde hij gekend zijn als Broeder Jan Bartels. In augustus 1951 verhuist het Noviciaat van Lievensberg naar Alverno in Huijbergen. Op 15 augustus 1952 legt hij zijn gelofte af.

Zijn loopbaan begint in Huijbergen op Ste.-Marie. Al heel snel wordt hij surveillant bij de kinderen van het pensionaat. Daar heeft hij op één jaar na al die jaren gewoond, geleefd en gewerkt. De verplaatsing naar IJpelaar te Breda in 1965 voelde Jan aan als een soort verbanning, maar anderzijds als een uitdaging en die ging hij niet uit de weg. Maar het grapje dat hij toen met zijn brommertje meermalen de singel in had willen rijden, had een wrange ondertoon. Hij had vreselijk heimwee naar Ste.-Marie in Huijbergen. Niets menselijks was hem vreemd. Hij was dan ook geweldig blij, toen hij het jaar daarop weer terug naar Huijbergen kon. Op Ste.-Marie nam hij de draad weer op. Hij was bij de jeugd een zeer geziene surveillant. Dertig jaar was hij werkzaam in de opvoeding. Allerlei functies bekleedde hij; de eerste jaren heette dat surveillant, later groepsleider. Al snel werd hij hoofdgroepsleider, enkele jaren nadien coördinator, en vanaf 1979 directeur van het Mavo-internaat. Voor zijn werk zette hij zich met al zijn energie in, maar ook met heel zijn hart. Daardoor ontstond er een goede sfeer op het internaat en was de verhouding met groepsleiding en al degenen die bij de opvoeding betrokken waren, goed te noemen. Zijn gestalte dwong automatisch respect af; zijn optreden straalde warmte, hartelijkheid en enthousiasme uit, gaven die in de omgang met de jeugd en met de ouders en collegas zeker opgemerkt en gewaardeerd zullen zijn.

In 1983 wordt hem gevraagd overste op Ste.-Marie te worden; hij bekleedt die functie tot oktober 1992. Onder zijn oversteschap heeft de grote verhuis plaatsgevonden naar het nieuwe broederhuis in Boomstraat 7. Er is weinig fantasie voor nodig om je voor te stellen, hoeveel onrust, gesjouw, rommel en zorg dat met zich meebracht. Zijn functie als overste vervult hij negen jaar met grote ijver en plichtsbetrachting en weet op uitstekende wijze leiding te geven aan onze broedergemeenschap. Van 1992 tot heden gaf hij leiding aan het personeel, werkzaam op Ste.-Marie; tevens is hij eerste assistent van de overste. Te pas en te onpas kon je hem iets vragen. Hij wilde dienstbaar zijn. Kenmerkend was zijn trouw tot het laatste toe, trouw aan de gemeenschap. Hij was duidelijk aanwezig, zowel door zijn doordringende hoest als zijn gulle lach, dikwijls al op afstand waarneembaar. Jan was een gezellige prater en hield van een grap. Ook viel hij op door zijn attentzijn; fijngevoelig wist hij mensen tegemoet te treden. Hij had ruime belangstelling voor de dingen om hem heen. De natuur boeide hem en hij kon met volle teugen genieten van alles wat groeit, bloeit en leeft. Wat vond hij het jammer, dat de herten van Br. Isidorus geen plekje konden krijgen in onze nieuwe tuin, en wat genoot hij van zijn tuin, waarin hij heel wat uurtjes heeft gewerkt.

Het was iemand met een ruime blik, met een wijs en verstandig oordeel, een hartelijk mens die naast iemand kon staan in goede en kwade dagen. Een nobel mens en ook een mens die van het leven hield en van de goede dingen van het leven kon genieten. Op onze vakanties deed hij niets liever dan kaarten, of op een rustig plekje genieten, terrasje zitten, kijken naar mensen, niet één hetzelfde, allen uniek, wonderbaarlijk, wat een schepping!

In november 1997 kreeg Jan te horen dat hij longkanker had, een kanker die na enkele maanden zich uitzaaide naar zijn hoofd. Hij en wij wisten maar al te goed, dat het einde nabij was. Hij ontving in besloten kring de ziekenzalving. Het gaf hem kracht en steun. De laatste weken verlangde hij naar zijn dood, wilde menswaardig sterven. Hij gaf al heel gauw de moed op, of was hij al zo snel afgemat en ernstig ziek? Hij was steeds dankbaar voor bewezen attenties en de liefdevolle verzorging van artsen, verplegend en verzorgend personeel, zowel in het ziekenhuis als thuis. Afscheid van hem nemen valt zwaar. Volgens onze menselijke maatstaven was hij nog te jong, pas 65 jaar. Je mist iemand die er vanzelfsprekend bij hoorde. De herinnering aan zijn leven is weldadig, vervuld van dankbaarheid. Het is stiller geworden op Ste.-Marie. In Jan hebben we een medebroeder verloren die heel nadrukkelijk aanwezig was in ons huis. Moge hij voorgoed geborgen zijn in Godsliefde en rusten in vrede. Jan, “Vrede en Alle Goeds”!

Br. Marcus de Deijn