Broeder Eugenio (Henricus Wilhelmus) van Tilburg

Geboren te Oosterhout 26-09-1931
Intrede bij de Brs. v Huijbergen 05-02-1950
Eerste Professie 15-08-1951
Eeuwige professie  15-08-1954
Overleden te Bergen op Zoom 25-05-2019
Begraven te Huijbergen 01-06-2019

Hij werd geboren op zaterdag 26 september 1931 te Oosterhout in het warme gezin van Vader Antoine van Tilburg en Moeder Francisca Peemen. Nog dezelfde dag wordt hij gedoopt in de basiliek van St. Jan de Doper. Die avond heeft er een totale maansverduistering plaats, maar of dit enig verband houdt met zijn latere belangstelling voor de onvoorstelbare maten en afstanden van de kosmos wil ik hier buiten beschouwing laten. Hij groeit op in de kruidenierszaak van zijn ouders in een volkswijk, waar op de kleintjes gelet moet worden en begrip opgebracht voor de armoede van de klanten. Een goede voedingsbodem voor zijn aanleg tot soberheid, maar ook voor zijn sensitiviteit voor het onrecht en het leed van de armen.

Dit was het Oosterhout in de tijd dat de toneelstukken van broeder Gummarus zoals “Manke Drieske” en “De schout van Oosterhout” in het patronaat aan de Arendstraat volle zalen trokken en de kerstverhalen  “De nieuwe Kerstmis” en “Kerstmis van broeder Thomas en de drie rovers” succesnummers waren. Ook op de Aloysiusschool in de Gasthuisstraat wordt door de leerlingen toneel gespeeld. Een van de eerste rollen van de jeugdige Henk is die van Maria in het stuk “De marmeren Bal”. En als leerling van de Franciscuskweekschool in Breda staat hij weer tussen de coulissen maar nu in een Passiespel met de rol van Christus. Met zijn acteer talent, zijn krachtige stem en duidelijke articulatie was hij ook regelmatig onze lector, zelfs een week voor zijn overlijden nog tijdens de zondagse eucharistieviering in deze kapel.

Dit waren niet zijn enige talenten, hij was een begaafd man die zijn naam Eugenio, vrij vertaald: “de man met goede genen”, eer aan deed. Na zijn noviciaat, hij is dan nog net geen twintig, begint hij in 1951 als onderwijzer aan de basisschool van de Hoogstraat in Bergen op Zoom, en verhuist een jaar later naar de Aloysiusschool aan de Boxhoornstraat waar hij vanwege het grote leerlingenaanbod gebruik moet maken van barakken als noodlokalen die opgetrokken waren tussen de regenjassenfabriek en het patronaatsgebouw van de Martelaren parochie. In deze periode behaalt hij zijn hoofdakte (77b), studeert Gregoriaanse kerkmuziek en behaalt drie Ward diploma’s, en december 1955 slaagt hij voor Wiskunde L.O.

Deze bevoegdheid zal niet ongebruikt blijven. Nog geen jaar later, september 1956 staat hij als leraar aan de in 1953 geopende Roothaan ULO in Amstelveen. Het eerste jaar had hij moeite met zijn gezag. De overgang van de eerst klas Lager Onderwijs naar een ULO vroeg aanpassing, maar dat hij niet met zich liet kruien hadden ze na een jaar wel in de gaten, zo vertelde hij zelf eens. Zijn vakkundigheid als leraar, scherpe stem en soms vlijmende opmerkingen kunnen daar wel in geholpen hebben. Ook in Amstelveen blijft hij studeren, behaalt zijn M.O. Wiskunde in 1958, en zijn M.O. B in november 1962.

Weer wordt zijn nieuwe bevoegdheid aanleiding voor een verplaatsing. Vanaf 1 september 1963 is hij leraar op de Franciscuskweekschool in Breda. Hij houdt van zijn vak, verlangt naar meer, krijgt een jaar studieverlof en behaalt zijn kandidaats wis- en natuurkunde met een cum-laude in Amsterdam. Ook dit succes heeft in 1966 een verplaatsing tot gevolg, nu naar het Mgr. Frencken college in Oosterhout waar hij zich (gedurende 24 jaar) tot 1990 met grote toewijding inzet voor een hoogstaande kwaliteit van het onderwijs. Intussen studeert hij verder en behaalt zijn doctoraal wis- en natuurkunde wederom met een cum-laude. Een nieuwe wetenschap dient zich aan, informatica en met veel interesse verdiept hij zich in computertalen zoals Cobol en Java. Programmeren, het zat hem in de genen, alle mogelijkheden inventariseren en via een proces van eenduidige ja / nee keuzes tot een heldere beslissing komen, dat paste in zijn behoefte aan zekerheden, en meetbare waarheden.

Als hij in 1990 met vervroegd pensioen gaat, begint voor hem, ondanks zijn hartproblemen, geen rustperiode, hij verdiept zich verder in de informatica, ontwikkelt zijn eigen programma voor het maken van lesroosters en de leerlingen administratie en is o.a. een tijd koster in de Nazareth kerk van Oosterhout. In 1999 wordt hij door een provinciaal kapittel tot lid van het bestuur van de Nederlandse Provincie gekozen, en blijft dit tot de opheffing van de provincie in 2011.

Religieuze gemeenschappen besturen in deze onzekere tijd is geen gemakkelijke opdracht. Tijdens zijn arbeidzame leven is er veel veranderd, zowel in de samenleving alsook in de wereld van de religieuzen. De vrome taal van de jaren vijftig is wereldvreemd gaan klinken. Zelfs de met enthousiasme ontvangen besluiten van de vernieuwingskapittels in de jaren zestig hebben hun kracht al verloren. Vertrouwde medebroeders hebben een andere levensweg gekozen, scholen fuseerden, de ene na de andere broedergemeenschap is opgeheven, verzorging en bejaardenproblematiek vullen nu de agenda’s.

Dat zijn beleidsvoorstellen, voortgekomen uit een oprechte zorg voor de toekomst van de broeder-gemeenschap, ontwikkeld na raadpleging van vele deskundigen in en buiten de KNR en met grote nauwgezetheid uitgewerkt, toch niet uitgevoerd werden heeft hem pijn gedaan. Maar de weg naar de toekomst van een leven dat gedragen wordt door geloof, gaat niet over een monorail, het is een weg van meer vragen dan antwoorden, van steeds weer inspelen op wat er gebeurt, zonder alles te kunnen overzien, zonder blauwdruk.

Het religieuze leven waar hij vijftig jaar eerder voor koos, is er niet meer. Maar met velen heeft hij dit leven beleefd op een pragmatische, vruchtbare en bewonderenswaardige wijze. Steeds maar dienstbaar en inzetbaar blijven voor weer een andere taak op weer een andere school. Jezelf steeds weer met al je energie, talenten en tijd inzetten voor wat er van je gevraagd wordt, zonder veel acht te slaan op je eigen belangen en voorkeuren. Bewonderenswaardig, maar toch, spiritualiteit en geloof hebben meer te bieden dan motieven en energie om te geven en te werken. Maar de zekerheid van geloven en de logica van het vertrouwen konden hem geen overtuigende bevestiging geven.

Wonderlijk dat hij enerzijds hard kon zijn in zijn oordeel over anderen, maar zelf toch kwetsbaar is gebleven, niet alleen voor het oordeel van anderen over hem, maar vooral voor het leed van anderen. Hij leed aan het contrast tussen onze eigen royaal voorziene tafels en de armoede van anderen. Met aandacht waakte hij over het energie gebruik, en liet geen recollectie onbenut om ons hier op te wijzen. Maar deze kritische man had ook een zekere argeloosheid, waardoor hij te gemakkelijk overtuigd kon worden van het leed dat hem verteld werd. Bijzonder gevoelig was hij ook voor de rechten van anderen. Nauwgezet controleerde hij de salaris administratie waaronder de vakantie regelingen, om te voorkomen dat mensen niet helemaal zouden krijgen waar ze recht op hadden. Tot in detail berekende hij de voor en nadelen van het al dan niet indienen van een schadeclaim. Serieus was hij als het ging over punten en komma’s, maar de teksten van zijn liederen bij een afscheid na het kapittel of een jubileum viering getuigden van vindingrijkheid en fijnzinnige humor, ook de zelfgemaakte Powerpoints die hij rond kerstmis naar familie en bekenden stuurde konden visueel getuigen van zijn hartelijke en oprechte bedoelingen. Hij kon zich vastbijten in zijn eigen inzichten maar toch behulpzaam zijn, hetzij om in te vallen bij de receptie, een tekst te corrigeren, of iemand te helpen bij een computerprobleem.

Dankbaar nemen we afscheid van een veelzijdig begaafde oom, oud-collega, vriend en medebroeder. Het was voor ons best moeilijk hem ervan te overtuigen dat woorden ook metaforen kunnen zijn die meer zeggen dan wat er staat, en dat geloven en spiritualiteit zo hun eigen betrouwbare logica hebben. Dat de God die liefde is en leven geeft hem nu met zijn eigen ervaring mag overtuigen van die grenzeloze, onmeetbare liefde, en zijn zoekende geest mag leiden naar verwondering voor alles wat groter en mooier blijkt dan hij ooit kon vermoeden.

Dat het zo zijn mag, voor altijd.